Door Bert Meijs
Daarna vertrokken zij. De buit evenwel was gering; de vaten van de H. Olie, mijn scheermes, enig geld en wat kleinigheden. Ik begreep dat zij weldra zouden terugkomen om hun grote slag te slaan. Ik dekte mijn tafel en diende het beste op wat ik had. Ik ging dan om twee uur naar de kapel een bezoek brengen aan de vluchtelingen aldaar. Nauwelijks was ik daar gekomen of ik zag een grote groep inwoners van het dorp over de akkers vluchten, roepend: 'Het dorp is vol Fransen!'. De huzaren vlogen de vluchtende na en beroofden hen van al datgene dat zij bij zich hadden. Ik vond daar veel vrouwen en daar tussen één van mijn dienstmeiden. Ik vernam van haar dat de andere in behouden have was en mijn huis vol plunderaars, die niemand binnen lieten. Ik ging met circa vijfentwintig vrouwen, kleine kinderen en twee kwakzalvers uit Amsterdam naar een nabij gelegen wei, waar de huzaren tweemaal voorbij renden, zonder dat zij ons door het hout konden zien. Ik had mij uit voorzorg al verkleed in schoenlappersplunje. Tegen de avond verliet ik het gezelschap en bleef aan de Braken staan tot negen uur. Toen ik het gekerm en geschreeuw aan de kapel hoorde, keerde ik terug. Om 11 uur ging ik naar het dorp en om 12 uur naar mijn huis, dat ik niet meer terugkende: kelder, kamers, alles was leeg; stro, gebroken flessen, potten en scherven, lagen onder en boven verspreid. Deze plundering had geduurd van 3 uur ‘s middags tot 10 uur 's avonds. Ik ging slapen in een hooimijt. Om 7 uur 's morgens begon de tweede plundering, die duurde tot vanmiddag 4 uur. In die tijd vonden ze een verborgen keldertje waarin ik mijn wijn verborgen had, zodat zij ook dat nog plunderden en er niets meer te vinden was. Ik kon gerust met open deuren slapen. Ik bleef bij mijn boer gehuisvest, en vreesde de Fransen minder dan de uitgeweken Belgen, met wie ik in de Brabantse patriottentijd zware onenigheid had. Die gingen zo ver dat zij mij de dood gezworen hadden. Zij hoorden bij toeval dat mijn naam Beerenbroek was en ze zonden een man naar mij toe om bij hen te komen. Ik kwam en herkende direct vijf van die officieren. Men sprak met mij geen woord omdat zij mij in dat vreemde gewaad (van schoenlapper) niet herkenden. Daarom zei ik: "Burgers geroepen kom ik hier: eertijds hebben wij onenigheid gehad, iedereen heeft zijn eigen overtuiging; voor het overige ben ik nog de oude openhartige Brabander". Een kapitein leidde mij in een andere kamer en zei: "Alles vergeten: gij zijt een eerlijk man". Hij riep de anderen, en na enige woordenwisselingen werd de hand toegereikt ten teken van vriendschap. Daarop ga ik weg en tref de commandant Du Plessis, die mij gelast mijn geleende kleren uit te trekken, terwijl hij mij een sauvegarde (veiligheidswacht) meegeeft. Daags daarna ging ik naar Kuik naar generaal Jardon. (Geboren in Verviers in 1768 en gesneuveld in 1809 in Portugal. Hij staat vermeld op de Arc de Triomphe). Ik heb niets meer te lijden gehad, maar er was ook niets meer bij me te vinden.
Spionage
Zondags voor de gezongen Mis was er een kerel die in de kerk baldadig was: Ik liet hem door mijn sauvegarde zijn geweer afgeven. Zijn kapitein komt ’s middags het geval onderzoeken en hij belooft hem te straffen. De derde dag werd mijn sauvegarde teruggeroepen. Ik ging naar het leger om hem terug te hebben, maar het was verboden. Toen ik met een zekere mijnheer bij me terugkeerde ontmoette we een beroemd adjudant majoor, een grote deugniet, genaamd Boulanger. Hij vroeg of wij priesters zijn, en begint tegen de priesters alles uit te braken. Terwijl wij ons gesprek proberen af te breken en weggingen, riep hij ons na om te blijven staan en hij zei: "Gij zijt suspect (verdacht), jij vraagt mij hoeveel paarden, mannen en kanonnen er hier zijn en daarom ben jij een bespieder (spion), ik arresteer u". Hij leidde mij naar de wacht en onder geleide naar de commandant van het kamp. Hij beschuldigt mij; zegt getuigen te zullen meebrengen en dat het mij of hem het hoofd moet kosten. Ik antwoordde dat ik zoiets nooit gedacht had, laat staan te vragen. De commandant zegt mij te kennen en te weten dat ik een patriot was. Boulanger luistert niet en eist van de commandant recht te doen. De commandant werd boos, maar zei: "Ik zelf ben bang voor zo'n man, want als hij enkele soldaten omkoopt tot valse getuigen tegen mij, moet ik zelf hangen". Ik ging 's avonds naar huis; de derde dag levert Boulanger valse getuigen in schrift en ondertekend aan de Overste die mij raadt, als Boulanger doorgaat, moet jij je beroepen op je ingezetenen en wij zullen hem dan zien te overtuigen.
Daarna zijn ze vertrokken en ik heb die gast die getuigde liever een priester dan een vlieg te doden, niet meer gezien. Ondertussen was hij een dapper soldaat. Op een dag ontvangt hij een schampschot in het hoofd, en voor heel het bataljon werpt hij de karabijn ter neer en gaat los op een soldaat van het keizerlijke leger. Deze schiet mis en wil hem doorsteken met de bajonet. Hij weert hem met zijn sabel af, slaat hem het hoofd af en brengt dat bij zijn regiment. Van sauvegarde beroofd, moet ik iets bedenken om mijn huis te beschermen. Vijf huzaren van Esterhazi waren ingekwartierd in de Engel, en dienden als sauvegardes voor het dorp.
