Door Bert Meijs
Een bewogen tijd: oorlog, overstromingen en veerkracht in de Langstraat
Uit het dagboek van een pastoor – een ooggetuigenverslag van rampspoed en herstel in de jaren 1795–1799.
In de nadagen van de 18e eeuw werd de Langstraat geteisterd door oorlog, ziekten, hongersnood én zware overstromingen. In een uniek en aangrijpend verslag uit het dagboek van een pastoor uit die tijd komt de veerkracht van de bevolking naar voren. Ondanks alle rampspoed klinkt telkens weer de dankbaarheid door: 'Dankzij Gods barmhartigheid zijn wij niet omgekomen.'
Bezetting en oorlogsgeweld
De ellende begon in december 1794 toen Franse troepen ons land binnenvielen. Vanaf 11 december tot 23 april van het volgende jaar verbleven zij in onze dorpen. De commandant van het Franse garnizoen verbleef zelfs twee weken in de pastorie, voordat hij zijn intrek nam bij de plaatselijke predikant.
Frankrijk voerde op dat moment strijd met bijna heel Europa. De koning van Pruisen, die uit was op uitputting van de Oostenrijkse keizer, sloot vrede met Frankrijk. Spanje volgde snel. De Franse legers rukten vervolgens verder op, overspoelden delen van Duitsland en kwamen tot aan de grenzen van Bohemen. Düsseldorf viel en tal van gebieden moesten de vrede letterlijk afkopen.
IJzige winter en dreigende dijkdoorbraak
Alsof oorlog en bezetting nog niet genoeg waren, sloeg de natuur ook hard toe. De winter van 1796 was streng. Tijdens kerstnacht gingen mensen nog droogvoets naar de nachtmis, maar later die dag veranderde alles. IJsschotsen en smeltwater vormden een enorme watermassa die grote druk zette op de dijken.
Bij het Vergereind, waar men net een herstelde dijk had aangelegd, dreigde het mis te gaan. Een rijsberm – een versterking van wilgentakken en aarde – moest het water keren. Maar het water steeg met geweld en op 30 december brak de dijk alsnog door. Binnen enkele uren vluchtten mensen en dieren naar hoger gelegen gebieden. Dorpen als Elshout, Haarsteeg, Wolfshoek en Heesbeen kwamen onder water te staan.
In allerijl werd achter de doorgebroken dijk een nieuwe noodkade opgeworpen met aarde, mest en stro. De bevolking werkte dag en nacht, sommigen wel 48 uur achtereen. Op oudejaarsdag leek het gevaar eindelijk geweken. De schade was immens: het gat in de dijk was circa 100 voet breed en tientallen voeten diep. Zelfs de beste ingenieurs van Holland stonden met lege handen, terwijl de lokale boeren bleven doorwerken.
Een nieuwe ramp in 1799
Maar de ellende hield niet op. In 1799 (door de pastoor aanvankelijk foutief genoteerd als 1800) brak de Maasdijk opnieuw door bij Haarsteeg. Ditmaal was de schade nóg groter. Kerk, pastorie, het nieuwe raadhuis en tientallen huizen werden volledig verwoest. Meerdere mensen verdronken, net als veel vee.
Alleen een toevallig ontstaan ijsvlot in het doorbraakgat kon erger voorkomen, door het water kortstondig te vertragen en bewoners de kans te geven naar de dijk of hoger gelegen gronden te vluchten. De pastorie liep ditmaal ‘slechts’ 15 duim water binnen.
De handtekening van pastoor Beerenbroek onder zijn testament, opgemaakt 1 dag voor zijn overlijden in 1811.
Slotwoorden van de pastoor
Met deze gebeurtenissen sluit de pastoor zijn dagboek af. Het is een indrukwekkend relaas van menselijke ellende, maar ook van doorzettingsvermogen. De inwoners van de Langstraat weerstonden oorlog, honger en natuurgeweld. In de woorden van de pastoor klinkt nog steeds verwondering door over de kracht van de gemeenschap: 'Een wonder was het...'
In een tijd waarin rampen ons kunnen overvallen, is het goed te herinneren hoe onze voorouders samenstand, geloof en hard werken als hun voornaamste wapens gebruikten tegen het noodlot.
