Door Bert Meijs
Sloop en verkoop van de oude pastorie
Kennelijk was de reparatie van de pastorie niet succesvol, want er werd besloten een geheel nieuwe pastorie te bouwen. De oude pastorie werd daarom afgebroken. Op 1 februari 1767 werden de vrijgekomen materialen, zoals balken, stenen, hekken, een poort, ribben en planken, verdeeld over 61 kavels en verkocht voor een bedrag van 173 gulden en 8 stuivers.
Op 1 mei 1767 volgde een tweede verkoopronde van afbraakmateriaal, waaronder balken, kozijnen, latten, sparren, riet, palen, planken, stenen en zelfs een trap en staldeur. Deze werden verdeeld over 113 kavels en brachten in totaal 371 gulden, 11 stuivers en 6 duiten op.
Nieuwe pastorie en hergebruik van materialen
De door Max Lips verbouwde pastorie stamt dus niet uit 1612, maar uit circa 1767. Voor de nieuwbouw werd een uitgebreid bestek opgesteld. Zoals gebruikelijk in die tijd werden nog bruikbare materialen van de oude pastorie hergebruikt. Wat wij tegenwoordig ‘circulaire bouw’ noemen, was destijds vooral een kwestie van kostenbesparing. Dit is overigens een belangrijk aandachtspunt bij het bepalen van de ouderdom van monumentale gebouwen.
Bouwspecificaties en hergebruikte onderdelen
Volgens het bestek moesten diverse onderdelen uit de oude pastorie opnieuw worden gebruikt, zoals schuiframen met specifieke afmetingen, deurkozijnen, sloten en veertig ijzeren ankers. Ook de stenen van de oude pastorie werden schoongemaakt en hergebruikt.
Nieuwe kozijnen en deuren werden nauwkeurig beschreven, evenals het gebruik van goed ‘Frans’ glas. Voor het privaat moest bijvoorbeeld een klein kozijn met een ‘Engels raamken’ worden geplaatst, een type schuifraam dat in de 17e eeuw in opkomst was.
Fundering, materialen en constructie
De fundering van de buitenmuren moest vier voet diep en breed zijn (circa 1,22 meter), terwijl de binnenmuren drie voet diep en breed moesten worden. De kelder kreeg een stenen trap van vijf voet diep. Er werd gebouwd met niet te droge stenen en een kalkmengsel van één deel wit zand en één deel kalk. Het kapgebint werd van dennenhout gemaakt met pen-en-gatverbindingen en bedekt met rode dakpannen. Ook schoorstenen, zolders en trappen werden uitgebreid beschreven. In de voorkamer kwam zelfs een ‘Italiaanse’ schoorsteen.
Indeling en voorzieningen
De vloeren in de voorkamers werden gelegd van dennenhout op eiken ribben, terwijl gang, keuken en kelder voorzien werden van blauwe plavuizen. Buiten werd een gierput aangelegd en daarnaast een waterput met pomp, compleet met een eiken bak en een hardstenen opvangbak.
Afwerking en kwaliteitseisen
Al het houtwerk moest worden gegrond en tweemaal geverfd. Binnen gebeurde dit in verschillende kleuren, buiten werden de luiken geel gegrond en bruin afgewerkt met olievernis. Ook de kwaliteit van materialen zoals hout en steen werd streng gecontroleerd.
De aannemer moest alle materialen vooraf laten keuren. Bij gebruik van afgekeurde materialen volgde een boete van 6 gulden en moest het werk worden afgebroken.
Transport en aanbesteding
De bouw werd op 29 januari 1766 gegund aan de laagste inschrijver voor 3.498 gulden. Voor het vervoer van 80.000 stenen werd een aparte aanbesteding gedaan. Deze werd verdeeld over verschillende vervoerders, waaronder Jan Tabbers (24.000 stenen), Peter Mulders (16.000) en Peter Boelen (12.000), voor een totaalbedrag van 110 gulden en 4 stuivers.
Slot: zorgen en geschiedenis
De bewonersgeschiedenis van de oude en nieuwe pastorie kent diverse opmerkelijke feiten. Ook binnen de kerkelijke gemeenschap van Drunen en Nieuwkuijk speelden zich bijzondere gebeurtenissen af. Zo was er een voortdurende strijd van dominees en schoolmeesters om hun salaris tijdig uitbetaald te krijgen. Daarnaast vormde het achterstallig onderhoud van kerk en pastorie een blijvende bron van zorg.
