Door Bert Meijs

Watersnoodramp treft Brabant: dorpen overspoeld, mensen op zolders, dieren verdronken

18 februari – Brabant onder water, ellende onbeschrijfelijk

In de dagen rond Aswoensdag, op 18 februari, werd Noord-Brabant getroffen door een allesverzengende watersnoodramp. Het water steeg razendsnel, dijken begaven het op meerdere plekken en complete dorpen verdwenen onder een dikke laag water en ijs. De kou, gecombineerd met het stijgende water, bracht inwoners in doodsangst. Overlevenden vertellen over kermen van mens en dier, overstromingen tot aan de daken en ijzige nachten op zolders en molens.

Dijken op het breekpunt

Op woensdag voorafgaand aan Aswoensdag werden de dijken bij de eendenkooi ten oosten al ernstig beschadigd. De situatie verslechterde met het uur. Op meerdere plaatsen stonden ze op doorbreken. Enkel de ijsdammen hielden het water tegen. Het verval in het waterpeil bereikte 16 voet – bijna vijf meter. Dorpen zoals Vlijmen, Haarsteeg, Nieuwkuijk, Baardwijk en Giersbergen kwamen in groot gevaar. Inwoners van Giersbergen zagen zich genoodzaakt om zelf dammen op te werpen rond hun huizen.

De doorbraak

Op Aswoensdag om vijf uur 's middags werd het eerste straaltje water opgemerkt op het ijs van een dam. Binnen vijf uur sloeg het noodlot toe. De dijk was definitief doorgebroken. Om tien uur luidde de noodklok, het water gierde door de straten. In een woning in Drunen werd de achterkeuken compleet weggeslagen: meubels, banken en zelfs altaartreden dreven richting kerk. Binnen stond het water 20 duim hoog (ruim 50 cm). De vorst sloeg direct toe, waardoor mensen hun huizen niet meer uit konden.

Ternauwernood gered

Enkel doordat drie doorbraken verderop plaatsvonden – tussen Vlijmen en het Vergereind – bleef het waterniveau enigszins beheersbaar. Daardoor bleef het dodental beperkt tot acht runderen in Drunen. Mensenlevens bleven gespaard. Een dag later braken ook delen van de Zeedijk, maar het dorp stond toen al onder water.

De oorlogssituatie had eerder geleid tot de aanleg van een nieuwe dijk ten zuiden van de Linie. Deze werd doorstoken, maar twee paarden met wagen verdronken alsnog. Door het ijs konden geen schepen varen, wat leidde tot een schrijnend voedseltekort. Op dag drie ontstond er broodgebrek. Zo’n zeventig mensen zochten hun toevlucht in en rond een windmolen, anderen bivakkeerden op kerkhoven, in gemeentehuizen, op zolders of zelfs onder daken.

Water tot aan de daken

In delen als De Wiel, Wolfshoek en Scheet stond het water vijf tot zes voet hoog, soms tot aan de nok van de huizen. De woning van de Drost stond volledig onder, vissen zwommen letterlijk door de straten. Terwijl sommige huizen, zoals dat van de secretaris, droog bleven of slechts licht getroffen waren, was het elders een ware zee. Inwoners vluchtten en overnachtten op koude zolders. Velen stookten vuur in ketels onder strooien daken – een wonder dat er geen brand uitbrak.

Negen dagen na de doorbraak begon men zich langzaam te verplaatsen over de bevroren resten van dammen. Inwoners gebruikten ladders en planken om zich over het ijs voort te bewegen. De straat veranderde in een spiegel van ijs en wanhoop.

Verwoesting in de regio

Niet alleen Drunen werd getroffen. De situatie in omliggende dorpen was vaak nog dramatischer. Binnendijkse woningen van Vlijmen tot het Vergereind werden deels weggespoeld. Weilanden, bossen en akkers werden omgewoeld of bedekt met dikke lagen zand. De schade aan de dijk werd geraamd op 180.000 gulden. Alleen al in Nieuwkuijk verdronken 55 koeien.

In Haarsteeg stond het water tot net onder de zolder van de nieuwe pastorie; in Onsenoort tot zeven voet hoog. Bruggen, hekken en complete gebouwen spoelden weg. Pas nadat het water zich terugtrok werd de ware omvang van de ramp zichtbaar: huizen die maanden onder water stonden, bezweken massaal.

Van vruchtbaar land tot zandwoestijn

De vruchtbare weilanden van de Linie veranderden in een kale, zandige vlakte vol diepe kolken. Zelfs in de heide bij Giersbergen werden vaste voet- en karrensporen volledig vernietigd.

De combinatie van kou, waterschade en voedselgebrek leidde in het voorjaar tot een uitbraak van ziektes en koortsen. Zelfs dieren waren in de war. In Vlijmen werd een paard op zolder aangetroffen; het moest via een gat in het dak worden bevrijd.

Wat de ramp in andere delen van het land – zoals Gelderland of ’s-Hertogenbosch – heeft aangericht, is nauwelijks te bevatten. Bij Giersbergen dreef van alles aan: huizen, schuren, karren, hooi, huisraad – stille getuigen van een ramp die zijn weerga niet kent.

Deze rampzalige overstroming toont eens te meer het belang van stevige dijken, goed onderhoud en paraatheid in tijden van nood. Maar bovenal toont het de veerkracht van de mens in het aangezicht van de elementen.