Door Bert Meijs
Rode loop
Ik ging naar hen toe en deed hun het volgende voorstel: 'Gij burgers weet, hoe lief men mij geplunderd heeft; gij hebt zelf in uw kamp mij in mijn afwezigheid geprezen, omdat ik van alles beroofd nog een liedje zong. Doe mij het plezier om een wakend oog op mijn huis te houden. Ik moet de hele dag rondlopen naar mijn zieken, die aan de rode loop (dysenterie) liggen. Bier en tabak zal ik bezorgen.' Zij antwoordden dat van ’s morgens tot 's avonds altijd iemand mijn huis zou beveiligen zonder nadeel voor mij. Maar, zei ik, mijn meisjes vrezen onaangenaamheden van sommige lichtvoeten. De eersten, zeiden zij, die met woord of werk iets onbetamelijks doet, zullen we het hoofd klieven.
Zij hielden hun woord en waren drie weken lang halve dagen in mijn huis terwijl ik rondging. En ofschoon zij goed gelegenheid hadden om te stelen, vertrouwde ik op hun woord van eer hun alles toe en ik heb er mij wel bij gevonden.
De bloedloop of rode loop heerste zodanig op Giersbergen dat slechts een enkel huis vrij bleef. De mensen van alles beroofd, sliepen in open stallen, terwijl alle uren benden van 20 à 40 man uit het kamp bij Helvoirt hun huizen, stallen, enz. doorsnuffelden, om te zien of er nog brandhout, stro, haver, spek of brood was, omdat dit alles in het leger te kort was. Mijn zieken daar hadden doorgaans niets anders dan water en roggebrood, want hij die hun wat wilde bezorgen, werd in de Heide daarvan beroofd.
Giersbergen
De Fransen zien graag dat je hen lijkt te vertrouwen en niet vreest. Daarom ging ik dagelijks alleen door de Heide naar Giersbergen. De eerste maal komt een huzaar op mij af, vraagt wie ik ben, en hoe ik alleen durf gaan. Ik zei lachend: 'Ik ben de pastoor en ga naar mijn zieken; wat zou ik vrezen. Een paar gespen van vier stuiver en een gulden aan geld is mijn schat die ik na de plunderingen heb overgehouden. Wilt ge ze hebben? Ik geef ze u.'
'Pardon', zei hij. 'Gij zijt een eerlijk man, ik zal u geleiden, gaat altijd alleen en niemand zal u hinderen.' En waarlijk wat gesnor van benden ik naderhand ontmoet heb, niemand heeft mij een kwaad woord gegeven, maar zij riepen al van ver: bonjour Curé, waarop ik met hen een snuifje (tabak) nam en mijn weg vervolgde.
Legerkampen
Keren wij terug tot de eerste dag na de plundering. Toen werd ’s-Hertogenbosch onvoorzien van alle kanten besprongen. Op onze dijk staande zagen we over de heide langs Cromvoirt en Helvoirt de legerkampen in tenten van stro. Vanaf Deuteren trokken zij verder, een linie vormend door Vlijmen, Kuik en Onsenoord. Op de Kuikse Heide waren zij gelegerd als volgt: in het bos van het kasteel dat in de successie-oorlog van 1701 reeds de naam van Franse bos gekregen had, lag het huzarenregiment van Esterhazi, aan de noordzijde van het bos was het kamp van de Bataven met twee wagons poeder en kruitwagens. Ten zuiden en ten noorden van de grote baan naar Kuik was het kamp van de Belgen, Luikenaars enz. Op de hoogte van de heide was een brandwacht van de huzaren, aan de ingang van het heike naast Drunen een brandwacht met paard- en voetvolk, aan het eerste huis in Drunen een vedetta, dat is een huzaar en een voetganger. Omdat niemand als de kolonel een paard en een tent mag hebben, maken zij hutten van stro als het dak van een boerenschuur; en als het te koud is graven zij kamers onder de grond. Zij maken een schouw en trappen van graszoden. Als dak leggen zij daar bomen en balken over het stro.
Dat stro, ketels, potten en pannen halen zij in de dorpen waar zij gelegerd zijn en laten het liggen bij hun vertrek, omdat ze geen bagagepaarden hebben. Je begrijpt wel, als ze voor deze benodigdheden in de dorpen invallen, dat dan alles buitgemaakt wordt wat in hun ogen of handen valt, en ze willen, net als kinderen, alles hebben wat ze zien. De wetten verbieden wel op doodstraf alle plunderingen, maar in de voorhoede van de legers, die uit allerlei naties en schurken is samengesteld, is men, bijzonder de twee eerste dagen zeer toegevend, zodat er de derde dag doorgaans weinig op die plaatsen meer te vinden is. Wij waren met die lieden opgescheept, in welke tijd men het gesnor van de kanonkogels en het licht van de bommen en houwitsers op en uit 's-Hertogenbosch hoorden en zagen, welk vuurwerk ik tweemaal in de nacht ben gaan zien ter hoogte van de Klinkert. Zolang dat volk hier lag, werd er dagelijks gefoerageerd bij de boeren om stro en haver, waarbij dikwijls ook spek en andere artikelen gerekwireerd (vorderen) werden, maar op een vrijdagavond zou ons dorp uiteindelijk uitgeput geweest zijn, had niet de generaal Jardon ons daarvoor behoed.
In de namiddagen kom ik door de heide op de Klinkert, en ik vind daar een Eskadron (gevechtspeloton) huzaren en een compagnie voetvolk door Jardon daar geplaatst. Tegen de avond kwam het voetvolk en de karabiniers (karabiniers waren cavaleriesoldaten gewapend met een karabijn) te paard van Helvoirt en ze wilden die nacht foerageren in Drunen. Het volk van Jardon verbood het. Die van Helvoirt wilden er toch met geweld door. Eindelijk toonde de commandant Bruce bevel om het te beletten, en hij liet zijn volk in slagorde opstellen, en dreigde vuur te geven als zij geweld pleegden, waarna zij, tot ons geluk, terugdeinsden.
