Door Bert Meijs

Inventaris

Op 15 februari 1768, daags na het huwelijk van de weduwe van Pieter, wordt een uitgebreide boedelinventaris opgemaakt van de bezittingen en schulden van Pieter Meijs.

Naast de oliemolen met huis, schuur en est gelegen op de Akkers, heeft hij nog 5 percelen bouwland. Pieter had bij overlijden een zilveren horloge, dat inmiddels verkocht is, zilveren schoengespen, een paar zilveren kuitgespen (deze werden gebruikt door mannen om de pijp van de kniebroek op kuithoogte vast te binden) en een hemd met zilveren knopen. Zijn kleren zijn inmiddels vermaakt tot kleren voor zijn kinderen. Verder heeft hij veel huisraad waaronder vier bedden. Aan koperwerk onder andere zes lampen, twee sopketels, vier haardketels met twee deksels, twee melkemmers en vier theeketels, een koffiekan. drie potten met deksel, drie oliebakken, een pomp, twee braadpannen en een vijzel met stamper. Aan tin onder andere een peper- en een azijnstel, een zoutvat en vier en dertig lepels. Aan aardewerk onder meer zevenentwintig borden, zeven schotels en een stenen mosterdmolen. Daarnaast een ketting, een haal, een hangijzer, een koekenpan, een blaaspijp, twee koffiemolens, een balans met twee houten schalen en nog meer aan ijzerwerk. Aan blikwerk zeven maten (maatbekers), drie trechters, een lantaarn en elf theebussen. Aan houtwerk ondermeer vier tafels, twee wiegen, zeventien stoelen, een kabine, drie stellingen en twee leunstoelen. In de winkel nog diverse vaten en halve vaten, twee jenever vaten en vier tabakstonnen. Verder drie manden, twee hopmanden en een korf van stro. Van glas negen roemers, drie bierglazen en drie flessen.

Verder is er huisraad in allerlei soorten zoals: katoenen gordijnen, schoorsteenvallen (gordijntjes), cravatten (halsband, een voorloper van de stropdas). In het achterhuis gereedschap en dergelijke zoals waskuip, kruiwagen, ijsslee, schop, turfschep, mesthaak, bijl, snoeimes, ijzeren handboren, hooikist, twee hoogkarren, handkar, ploeg, rijzadel, lederen halster. Twee wit vale koeien van één circa 10 jaar en de andere 4 jaar oud. Een stierkalf van vier weken oud, twee bruine ruinpaarden, beiden 12 jaar oud. Daarnaast nog onder meer niet gedorste rogge, twee honderd bossen roggestro, ca. vijfduizend pond hooi, acht vaten boekweit, drie vaten rogge, twee ijzeren hamers, vijfhonderd afbraak stenen, tweehonderd nieuwe dakpannen, één gezaagde beuken boom, drie karren Vlijmense turf, brandhout, 2,5 pond nieuwe hop en driehonderd pond oude hop. Aan winkelgoederen: driehonderd pond tabak, azijn, zeep, bier, raapolie, wit garen, sajet, (garen van korte wolvezels) en verder naalden, spelden, lint, rode en witte wijn, zout, diverse lappen stof en bonte neusdoeken. Door deze opsomming krijgen we een aardig inzicht in wat er zoal te koop was bij een dorpswinkel in die tijd.

Aan contant geld is er 173 gulden en 5 stuivers aanwezig. Daarnaast heeft Pieter nog van heel veel mensen geld tegoed vanwege geleverde goederen en dergelijke. Volgens het overzicht uit de boedelinventaris te berekenen op ca. 1.590 gulden

Schulden

Maar schulden heeft Pieter ook, heel veel vanwege geleverde goederen en afgesloten leningen, volgens de gemaakte overzichten door mij berekend op 3.300 gulden aan openstaande leningen met daar boven op nog 2.168 gulden, 16 stuivers en 2 penning voor geleverde goederen (zoals suiker, stroop, tabak, jenever, thee, azijn, kaas en snuif), huur land, belastingen en arbeidsloon. Zijn totale schuld bedroeg dus ca. 5.468 gulden. Poulus van der Aa en Elisabeth Heijhuur tekenen allebei met een kruisje omdat ze de schrijfkunst niet meester zijn.

Uit de boedelinventaris blijkt dat Paus van der Aa in dienst was bij Pieter Meijs, Pieter was volgens de inventarisatie aan Paulus daarvoor nog 50 gulden schuldig. Paulus van der Aa trouwt in 1772 na het overlijden van zijn vrouw met Antonetta van den Dungen, Veel Nieuwkuijkse 'Van der Aa’s' stammen af van dit echtpaar, waaronder burgemeester Jan van der Aa (1812-1901). Jan van der Aa was heel lang (1866-1901) en tot op hoge leeftijd (88 jaar) burgemeester van Nieuwkuijk.

Op 22 april 1773 volgt er nog een proces tussen de voogden van de minderjarige kinderen van Pieter, Louwerens van Son en Jacobus Meijs en de erfgenamen van Jan Clokkenberg uit Haarsteeg. Clokkenberg is, net als Pieter, dan al overleden. Die erfgenamen van Clokkenberg menen dat Jan nog geld te vorderen heeft van Pieter Meijs. Jan heeft hop geleverd aan Pieter voor 75 gulden en nog andere zaken aan hem geleverd en gedaan, voor in totaal 172 gulden en 11 stuivers. Pieter zou hiervan betaald hebben 137 gulden en 5 stuivers en zou dus nog schuldig zijn 35 gulden en 6 stuivers. Pieter Meijs heeft echter altijd nauwkeurig zijn administratie bijgehouden en die administratie wordt als bewijs overlegd en daaruit blijkt dat Pieter geen geld schuldig is aan Jan Clokkenberg. Uit de administratie blijkt dat voor het genoemd bedrag onder andere tabak en drank geleverd is en de rest is voldaan in contanten door een schuldbekentenis van zijn boer, Hendrik Clokkenberg koster en schoolmeester te Nieuwkuijk. Die schulden had Hendrik aan Pieter wegens geleverde winkelwaren door Pieter Meijs. Het zogenaamde openstaande bedrag is zelfs nog met drie gulden en vier stuivers overschreden.