In het begin van de twintigste eeuw maakte Heusden een periode van grote veranderingen door. Dat blijkt uit diverse verslagen van bezoeken die tussen 1910 en 1923 aan de vestingstad werden gebracht door de commissaris. Ze tonen een gemeente die volop in ontwikkeling is, maar ook kampt met problemen zoals woningnood, gebrekkige infrastructuur en economische onzekerheid.

Door Bert Meijs

1910: drinkwater, industrie en gemeentelijke discussies

Rond 1910 stond Heusden voor grote uitdagingen. Zo bleek het moeilijk om goed drinkwater te vinden: een boring tot 105 meter leverde niets op, maar op 40 meter diepte vond men uiteindelijk bruikbaar water. De gemeente plaatste daarop meerdere pompen en voorzag in een derde pomp via de begroting. Ook particulieren, zoals apotheker Stal en de gebroeders Mol, legden eigen waterpompen aan.

De verbetering van de Demer zorgde ervoor dat een groot deel van Heusden werd aangesloten op de riolering, een belangrijke stap voor de hygiëne. De oude groentemarkt verloor intussen aanzienlijk aan betekenis en trok nog nauwelijks handelaren.

In dezelfde periode ontstonden nieuwe economische initiatieven. De mislukte scheepstimmerwerf kreeg een opvolger: een nieuwe werf van De Haan en Alta, waar 80 arbeiders aan de slag gingen. Ook werd een conservenfabriek aangekondigd, die men grote waarde voor de gemeente toedichtte.

Niet alle ontwikkelingen verliepen soepel. De zuivelfabrieken in Herpt en Genderen hadden een negatieve invloed op de lokale winkeliers, omdat zij de botervoorziening naar de winkels wegkaapten. Daarnaast liep de relatie tussen burgemeester en gemeenteraad stroef bij het vaststellen van de begroting: de burgemeester wilde de veldwachters pas een hoger salaris geven zodra zij hun politiediploma hadden gehaald, maar de raad wilde de verhoging direct doorvoeren.

Gezicht op de Demer, 1930. (bron: Salha)

Gezicht op de Demer, 1930. (bron: Salha)

1915: economische groei en militaire aanwezigheid

Bij het volgende bezoek, op 13 augustus 1915, bleek de scheepswerf—de latere voorganger van Verolme—flink te zijn gegroeid. Onder leiding van De Haan en Oerlemans bood zij werk aan meer dan zestig mensen. De eerder opgerichte conservenfabriek was inmiddels failliet gegaan, maar kreeg nieuw leven ingeblazen door de Belgische ondernemer Van der Poulle. Vooral prinsessenbonen, geteeld in omliggende dorpen én in Zeeland en Holland, werden er ingemaakt. Het ‘afrangen’ van de boontjes verschafte veel gezinnen een welkome bijverdienste.

De Vicinaux, de tramlijn Den Bosch–Drunen–Heusden, maakte inmiddels volop gebruik van de tramhaven. De haven kreeg dagelijks drie boten te verwerken en de tram vervoerde vaak tot twaalf wagons met vracht. De overkluizing van de Demer bleek een groot succes, al bleef het drinkwaterprobleem bestaan.

Door de mobilisatie waren 250 soldaten in de stad ingekwartierd en nog eens 25 man bewaakten de brug. Volgens inwoners verliep dit zonder noemenswaardige problemen. Belgische vluchtelingen, die eerder waren opgevangen, waren in 1915 vrijwel allemaal teruggekeerd en werden met lof genoemd.

1919: bloei én woningnood

Bij het bezoek in 1919 viel op dat de scheepswerf een nieuwe bloeiperiode kende. De directeuren De Haan en Oerlemans betaalden ieder maar liefst 96.000 gulden aan Rijksinkomstenbelasting, een teken van de grote bedrijvigheid. Diezelfde bedrijvigheid veroorzaakte echter een forse woningnood. De directie kocht daarom geregeld grotere woningen op om ze om te bouwen tot arbeiderswoningen.

De politieke verhoudingen wijzigden: de gemeenteraad kreeg een katholieke meerderheid. Intussen worstelde de gemeente met een langdurig gascontract, terwijl de gasfabriek verouderd was en slecht presteerde. Elektriciteit werd gezien als aantrekkelijk alternatief, maar kwam niet van de grond.

De veldwachters bleven slecht betaald en misten het vereiste politiediploma. De godshuizen speelden een belangrijke rol in de sociale zorg: ze betaalden onder meer de kosten van krankzinnigenverpleging en namen in 1918 alle kosten op zich tijdens een tyfusepidemie met 125 gevallen.

De conservenfabriek stond inmiddels opnieuw vrijwel stil na het overlijden van directeur Van der Poulle. De drukkerij van Veerman werd opgeheven, maar liet de oprichter een aanzienlijk fortuin na.

  Scheepswerf 'De Haan en Oerlemans'. Schip 'Thisted', Zeestoomschip, 1917. (bron: Salha)

Scheepswerf 'De Haan en Oerlemans'. Schip 'Thisted', Zeestoomschip, 1917. (bron: Salha)

1923: economische malaise en zorg om voorzieningen

In 1923 bleek Heusden opnieuw in zwaar economisch weer terechtgekomen. De scheepswerf, ingericht voor 400 arbeiders, had er nog maar 50 à 60 in dienst. Toch zorgde de werf in de voorafgaande jaren voor maar liefst 77 nieuwe woningen in Heusden en 13 in Herpt, meer dan de gemeente zelf realiseerde.

De riolering rond de Demer bleef problematisch: bij laag water lag de rivier praktisch stil, wat ernstige stankoverlast veroorzaakte. Nieuwe riolering aanleggen bleek onmogelijk door gebrek aan beschikbare grond. Ook werd gevreesd dat het kantongerecht, gevestigd in het raadhuis, zou verdwijnen. Dat zou een belangrijke voorziening voor de stad wegnemen.

De openbare school verkeerde in slechte staat en kampte met ruimtegebrek; een klas was ondergebracht in het raadhuis. Omdat mogelijk een protestants-christelijke school zou worden opgericht, werd onderhoud vooruitgeschoven.

Verder heerste er veel werkloosheid, waarvoor geen werkverschaffing beschikbaar was. De godshuizen probeerden zolang mogelijk ondersteuning te bieden, maar hun reserves raakten uitgeput.