Op 2 augustus 1919 en opnieuw op 15 juni 1923 werd de gemeente Hedikhuizen bezocht door de commissaris. De verslagen van deze bezoeken geven een scherp beeld van de sociale, economische en politieke situatie in het dorp in de jaren na de Eerste Wereldoorlog. Thema’s als woningnood, bestuurlijke spanningen, economische ontwikkelingen en persoonlijke invloeden spelen hierin een belangrijke rol.

Door Bert Meijs

Woningnood en gemeentebeleid (1919)

Tijdens het bezoek in 1919 bleek dat er in Hedikhuizen sprake was van woningnood. Tot dat moment waren er echter slechts besprekingen geweest binnen het college van burgemeester en wethouders (B en W) over mogelijke oplossingen. Er werd sterk op aangedrongen om gebruik te maken van de bepalingen van de Landarbeiderswet om tot verbetering te komen.

Schoolhoofd Prinsen speelde een opvallende rol in de lokale politiek. Hij voerde fel campagne tijdens de gemeenteraadsverkiezingen, waarbij vier van de zeven raadsleden werden weggestemd. Zij werden vervangen door een kastelein, een klompenmaker, een bakker en een landbouwer. De centrale inzet van deze verkiezingsstrijd was de heersende woningnood.

Economie, lonen en voorzieningen

De gemeente had een provisorisch elektriciteitsbedrijf ingericht voor ƒ 38.820,-. Dit functioneerde naar behoren, met kosten van ƒ 45,- per jaar per lichtpunt. De lonen lagen relatief hoog: een mandenmaker verdiende ƒ 25,- en een gewone arbeider ƒ 21,-. In de gemeente waren ongeveer 150 mandenmakers actief. De veldwachters werden echter onvoldoende betaald, en er werd aangedrongen op salarisverbetering.

De drinkwatervoorziening verschilde per plaats. In Haarsteeg was het water redelijk, maar in Hedikhuizen slecht. Men was voornemens de bestaande pompen te verplaatsen en buitendijks opnieuw te slaan, waar een dikke zandlaag aanwezig was. Men hoopte daarmee ook Hedikhuizen van beter drinkwater te voorzien. Daarnaast werd een sociale cursus, gegeven door priester Breugelman uit Heeswijk, door circa 50 volwassenen met belangstelling gevolgd.

De tuinbouw floreerde en leverde goede inkomsten op. Dit werd mede mogelijk gemaakt door de regelmatige veilingen in Drunen en Vlijmen, die drie keer per week plaatsvonden.

Het raadhuis en blijvende zorgen

Het raadhuis was verbouwd en opnieuw ingericht en maakte een goede indruk. Wel waren de muren te zwak voor een beschoten dak, waardoor men op zolder door de dakpannen heen kon kijken. Schoolhoofd Prinsen meldde zich persoonlijk en klaagde opnieuw over de woningnood.

Politieke machtsverschuiving en bestuurlijke spanningen in 1923

Bij het bezoek in 1923 bleek dat de situatie in Hedikhuizen verslechterd was. De oppositiepartij had de gemeenteraadsverkiezingen gewonnen. De nieuwe meerderheid bestond uit Van Vrede, Van den Brand, Dobbelsteen (boekhouder bij de firma Prinsen en Van Halder) en Van Hemert (notarisklerk en bovendien protestant).

Wethouder Luijben had ontslag genomen en wethouder Vugts was overleden. Hierdoor zou het dagelijks bestuur vanaf september bestaan uit de burgemeester en twee oppositieleden, wat veel conflicten voorspelde.

De oppositie stelde zich onafhankelijk op en trok zich weinig aan van hogere bestuurslagen zoals Gedeputeerde Staten, de Commissaris van de Koningin en de regering in Den Haag. De raadsvergaderingen stonden al bekend als chaotisch en de toekomst beloofde weinig goeds.

De rol van Prinsen en zijn netwerk

De voortdurende problemen in Hedikhuizen werden grotendeels toegeschreven aan het handelen van voormalig schoolhoofd Prinsen. Hoewel hij inmiddels in Vlijmen woonde, bleef hij zich intensief met de gemeentelijke zaken bemoeien.

Zijn zoon, een ambtenaar in Den Bosch (Claudius Prinsen, later burgemeester van Roosendaal en Breda en vader van onder anderen Joost Prinsen), trad indien nodig als adviseur op. Hij behandelde onder andere een zaak bij de Raad van State over een vergunning voor een schietbaan.

Volgens het verslag waren Van Vrede en zijn medestanders zich er niet van bewust dat zij feitelijk door Prinsen werden beïnvloed.

Van Vrede en Van den Brand kwamen op audiëntie met uitgebreide klachten over de burgemeester. Van Vrede werd als bijzonder lastig ervaren, terwijl met Van den Brand beter te praten viel.

Er werd geprobeerd de spanningen te verminderen. Beide heren beloofden zich in te zetten voor het algemeen belang van de gemeente, op voorwaarde dat de burgemeester hetzelfde zou doen. In die geest werd later ook met de burgemeester gesproken.

Woningbouw en financiën

Opvallend genoeg werd er in 1923 niets door de gemeente zelf aan woningbouw gedaan. Met rijkspremie waren vier woningen gebouwd, en zonder premie één. Er was op dat moment geen woningnood meer. De gemeente beschikte over aanzienlijke bezittingen, waardoor de belastingen laag konden blijven, wat gunstig was gezien de beperkte draagkracht van de bevolking.

Het provisorische elektriciteitsbedrijf zou het volgende jaar afsluiten met een schuld van ƒ 16.000,-. Dit leidde tot grote problemen, mede omdat het bedrijf alleen Haarsteeg had bediend en niet Hedikhuizen en Luttel Herpt. Er was altijd gesteld dat het bedrijf kostendekkend zou zijn. De oppositie zou zich daarom verzetten tegen het afwentelen van de schuld op de gemeente. Het bestaande elektriciteitsbedrijf kon deze last niet dragen, omdat het zelf al verlies maakte. Men wist niet hoe deze impasse opgelost moest worden en voorzag veel problemen in 1924.

Infrastructuur en werkgelegenheid

Het onderhoud van wegen drukte zwaar op de gemeentefinanciën. De gemeente moest 11,5 kilometer weg onderhouden, waaronder de weg van Luttel Herpt naar de grens met Vlijmen. Deze was inmiddels een belangrijke verbindingsroute geworden voor auto- en vrachtverkeer tussen het Land van Heusden en Altena en de Meierij, waardoor het onderhoud nauwelijks nog te bekostigen was.

In de winter waren er 20 werklozen geweest, maar ten tijde van het bezoek was er geen werkloosheid meer. Tijdens de audiëntie meldde zich nog één werkloze, die door wethouder Luijben werk werd beloofd.

De mandenmakerijen draaiden op dat moment volop, mede dankzij export naar Engeland. Daarnaast was er een schoenfabrikant actief met 25 werknemers die produceerden voor de markt in Den Bosch, wat duidde op grote bedrijvigheid.

Wanneer men dit verslag leest, rijst de vraag waarom in Haarsteeg een straat is vernoemd naar schoolmeester Prinsen.