De verslagen van de Commissaris van de Koningin uit de periode 1906-1919 bieden een bijzonder inkijkje in het dagelijks leven in en rondom Drongelen. Tijdens verschillende bezoeken aan het dorp sprak de Commissaris met bestuurders, raadsleden en inwoners over landbouw, onderwijs, woningbouw en de gevolgen van de Maasmondwerken.
Door Bert Meijs
Toen de Commissaris op 20 april 1906 Drongelen bezocht, trof hij naast burgemeester en wethouders ook de raadsleden Burghout en Van Oersbergen aan. Zij hadden weinig bijzonderheden te melden, maar de gesprekken maakten wel duidelijk hoe ingrijpend de aanleg van de Maasmond was geweest.
Door de Maasmondwerken kwam ongeveer vijftig hectare grond ’s winters niet langer onder water te staan. Daardoor veranderde veel voormalig wei- en hooiland in bouwland. Een deel van deze gronden lag onder Capelle en Besoijen, maar was eigendom van inwoners van Meeuwen. Waar vroeger tweederde van het land uit weiland bestond en eenderde uit bouwland, was die verhouding inmiddels veranderd naar ongeveer de helft van elk.
Ook het onderwijs kwam ter sprake. Toen schoolhoofd De Moor vertrok om directeur van de normaallessen in Heusden te worden, bleek het minimumsalaris onvoldoende om een opvolger aan te trekken. Daarom werd het salaris verhoogd naar 800 gulden, waarbij de nieuwe onderwijzer zich moreel verplichtte nooit een functie in Heusden te accepteren.
Armoede werd volgens de bestuurders nauwelijks geleden. Veel arbeiders bezaten een koe en mestten een varken voor eigen gebruik. Ongeveer de helft van de arbeiders woonde bovendien in een eigen woning.
Oude dorpskist vol geschiedenis
Tijdens een volgend bezoek op 2 april 1910 vertelde de burgemeester over een bijzondere vondst. Op de boerderij van een voormalige gemeenteontvanger ontdekte hij de oude dorpskist van Drongelen, gevuld met historisch archiefmateriaal van zowel de gemeente als de kerk.
Uit de documenten bleek dat een eerdere dorpskist met archief in 1662 was verbrand. Daarna was een nieuwe verzameling opgebouwd. De stukken bevatten onder meer informatie over het Rampjaar 1672, de inval van de Fransen en de verdediging van de schans die ooit stond op de plek van de huidige protestantse kerk.
De documenten leverden ook een bijzondere familiegeschiedenis op. De familie Millenaar, van moederszijde verwant aan de burgemeester, bleek al meer dan driehonderd jaar op dezelfde boerderij te wonen. Die boerderij draagt de naam Assem, wat volgens oudheidkundigen mogelijk verwijst naar een Romeinse begraafplaats. Die theorie werd versterkt doordat er enkele jaren eerder urnen met as en botresten werden gevonden.
Dankbaar voor de Maasmond
De inwoners waren zeer tevreden over de Maasmond. Zonder de nieuwe waterwerken had men volgens de burgemeester in de winter van 1910 van Drongelen naar Andel kunnen varen. Dankzij verbeterde bemaling bleef alles droog. De capaciteit van de pompen bij de Peereboomsluis werd verder vergroot door het scheprad te verbreden.
Politieke strijd was er nauwelijks. De laatste twee raadsverkiezingen verliepen zelfs zonder stemming. Voor de controle op de bouwverordening werd gebruikgemaakt van deskundige De Graaf uit Sleeuwijk, verbonden aan de Gezondheidscommissie in Heusden.
Op landbouwgebied bleek kunstmest niet altijd effectief. De grond was door langdurige bewerking kalkarm geworden. Eerst bekalken en daarna bemesten met kunstmest leverde veel betere resultaten op.
De haven van Drongelen speelde ondertussen een belangrijke economische rol voor Drongelen, Eethen en Babyloniënbroek. Landbouwproducten werden afgevoerd, terwijl onder meer zand, stenen, hout, stro, steenkool, pulp en schuimaarde werden aangevoerd.
Groei van landbouw en fruitteelt
Toen de Commissaris op 6 augustus 1915 opnieuw Drongelen bezocht, constateerde hij dat de samenwerking tussen burgemeester Brune en de wethouders goed verliep. Vooral wethouder De Haan maakte indruk.
De problemen met kwelwater waren inmiddels sterk verminderd. Dat kwam zowel door de uitbreiding van de bemalingsinstallaties in 1912 als doordat de dijk langs de Bergse Maas zich beter had gezet.
De inwoners verlangden echter naar een tramverbinding die het Land van Heusden en Altena uit zijn isolement zou halen.
Economisch ging het de bevolking goed. Veel weiland werd omgezet in bouwland. Zo had mr. Ingenhousz-van de Mortel twee jaar eerder nog twintig hectare weiland laten omploegen. Vooral in de uiterwaarden werden uitstekende oogsten behaald. Ook de fruitteelt floreerde, met name de teelt van Bellefleurs, goudrenetten en zoete campagnes.
Ongeveer tachtig procent van de inwoners woonde in een eigen huis. Slechts vijftien gezinnen huurden een woning.
Woningnood ondanks voorspoed
Bij zijn bezoek op 16 augustus 1919 trof de Commissaris een gemeenteraad aan die door het nieuwe kiesrecht flink was veranderd. Vier van de zeven raadsleden waren vervangen. De nieuwe raad bestond uit vier antirevolutionairen en drie christelijk-historischen.
Hoewel de gemeente feestelijk had gevlagd, was er ook een groot probleem: woningnood. Nieuwe woningen bouwen bleek bijzonder duur. Een ingenieursbureau had plannen gemaakt waarbij een woning circa 4.400 gulden zou kosten. Zelfs met steun van Rijk en gemeente zou een weekhuur van 3,30 gulden nodig zijn. Volgens de bestuurders was dat voor veel inwoners onbetaalbaar.
De oude dorpskist bevond zich inmiddels in het huis van gemeentesecretaris Van der Schans. De Commissaris wilde laten onderzoeken welke stukken eigenlijk thuishoorden op het gemeentehuis.
Van problemen met kwelwater was inmiddels nauwelijks nog sprake. Alleen in 1918 ontstonden tijdelijk problemen doordat in Dussen te veel water werd ingezet. Na een brief van de burgemeester waren die problemen opgelost.
Het drinkwater werd als uitstekend beoordeeld. Juist omdat de kwaliteit zo goed werd geacht, was het nooit chemisch onderzocht.
Een nieuwe veldwachter was nodig, al was er volgens de bestuurders weinig werk voor hem. Men dacht aan een salaris van 500 gulden, gecombineerd met toestemming om daarnaast een boerenbedrijf uit te oefenen.
De lonen waren inmiddels gestegen naar vijftien tot zeventien gulden per week. Werk was er voor iedereen en armoede kwam nauwelijks voor. Het burgerlijk armbestuur was zelfs welvarend; de rekening over 1918 sloot af met een positief saldo van ongeveer 1.200 gulden.
De wens voor een lokale spoorverbinding bleef bestaan. De bestaande bootverbindingen naar Rotterdam en Den Bosch werden als onvoldoende beschouwd.
Het herhalingsonderwijs werd onafgebroken gegeven. Landbouw- en tuinbouwonderwijs had tijdelijk stilgelegen wegens gebrek aan brandstof en verlichting, maar zou spoedig worden hervat.
Drongelen telde rond die tijd ongeveer twintig hectare boomgaarden. Grond die onder de hamer kwam, werd meestal gekocht door inwoners van het dorp zelf.
Tot slot sprak wethouder De Haan zich voorzichtig uit over een mogelijke gemeentelijke herindeling. Hoewel hij de zelfstandigheid van Drongelen graag wilde behouden, zag hij in dat de bestuurskosten zo hoog konden worden dat een samenvoeging met Meeuwen en Genderen uiteindelijk noodzakelijk zou zijn.
