Tussen 1894 en 1928 was mr. A.E.J. baron Van Voorst tot Voorst Commissaris van de Koningin in Noord-Brabant. Een belangrijk onderdeel van zijn functie was het regelmatig bezoeken van alle gemeenten in de provincie. Van deze werkbezoeken hield hij nauwkeurige verslagen bij, die een bijzonder inkijkje geven in het dagelijkse leven en bestuur van Brabantse dorpen rond de eeuwwisseling.
Door Bert Meijs
Eerder verscheen al een serie artikelen over deze bezoeken. Het verslag van de gemeente Drongelen, waartoe destijds ook Doeveren behoorde, ontbrak echter nog. Nu Doeveren al jarenlang deel uitmaakt van de gemeente Heusden, verdient ook dit historische verslag een plaats in de geschiedschrijving.
Eerste bezoek in 1898
Op 16 augustus 1898 bracht Van Voorst tot Voorst een bezoek aan de gemeente Drongelen. De ontvangst bleef bescheiden. Behalve het uitsteken van enkele vlaggen hadden de inwoners geen bijzondere voorbereidingen getroffen.
Op het gemeentehuis trof hij burgemeester Boll aan, samen met wethouder Millenaar. De andere wethouder, Oerlemans, was afwezig. De burgemeester woonde niet eens in Drongelen, maar in Eethen en kwam slechts eenmaal per week naar het dorp om de gemeentelijke zaken af te handelen. Van de zeven raadsleden woonden er vier in Drongelen en drie in Doeveren. Alleen de twee in Drongelen woonachtige raadsleden verschenen tijdens de audiëntie. Andere inwoners maakten geen gebruik van de gelegenheid om de commissaris te spreken.
Schoolkinderen dagelijks met het veer naar school
Samen met burgemeester en wethouder bezocht de commissaris de openbare school. Hij woonde lessen bij in aardrijkskunde, geschiedenis, rekenen en zang. Op dat moment oefenden de leerlingen vaderlandse liederen voor een aanstaand koninklijk feest, waarvoor de gemeenteraad een bedrag van 250 gulden beschikbaar had gesteld.
Opvallend vond hij de situatie van de schoolgaande kinderen uit Doeveren. Zij bezochten dagelijks de school in Drongelen en moesten daarvoor twee keer per dag met het veer de rivier oversteken. Toen hij later die dag terugreisde, trof hij elf kinderen uit Doeveren op dezelfde pont. Voor hen duurde de reis van huis naar school ongeveer een uur. Ondanks deze omstandigheden was de commissaris positief over de kwaliteit van het onderwijs.
Ontbijt op het gemeentehuis
Na het schoolbezoek wachtte op het gemeentehuis een eenvoudig ontbijt bestaande uit een broodje met vlees, koffie en wijn. Burgemeester Boll ontving zijn gast met zichtbaar trots. Vooral zijn twaalf zilveren couverts en een zilveren zuurstel kregen aandacht. Deze waren hem geschonken door de gemeenteraden van de betrokken gemeenten ter gelegenheid van zijn 25-jarig jubileum als burgemeester.
Tijdens het gesprek vertelde Boll over zijn samenwerking met bekende bestuurders uit de regio, waaronder de latere president van de rechtbank in Den Bosch, mr. Bosch. Ook sprak hij over Sprengers, voormalig gemeentesecretaris van Heusden en later griffier van Provinciale Staten. Volgens Boll werkte Sprengers echter bijzonder traag en was het moeilijk om stukken tijdig van hem terug te krijgen.
De verhouding tussen burgemeester Boll en wethouder Millenaar leek uitstekend. Met wethouder Oerlemans lag dat anders. Hoewel een eerder conflict al meer dan tien jaar oud was, bleek de verstandhouding nog steeds niet optimaal.
Opmerkingen over de administratie
Ook de gemeentelijke administratie ontkwam niet aan kritische opmerkingen. Zo constateerde de commissaris dat de ontvangsten uit de hondenbelasting slechts als totaalbedrag werden geboekt en niet afzonderlijk werden geregistreerd in een hulpregister. Daarnaast ontbrak bij kascontroles een officiële verklaring van burgemeester en wethouders dat de boeken waren afgesloten.
Terugkeer in 1903
Op 25 april 1903 bezocht Van Voorst tot Voorst Drongelen opnieuw. Onder hevige regen arriveerde hij bij het gemeentehuis, waar burgemeester Boll, de wethouders Oerlemans en Vos en enkele raadsleden hem opwachtten.
Van de drie raadsleden uit Doeveren woonde wethouder Vos ten noorden van de nieuwe rivier. De andere twee, Timmermans en Boll, woonden ten zuiden daarvan. De commissaris constateerde dat het aantal inwoners in het zuidelijke deel van Doeveren sterk afnam. Op 1 januari 1903 telde dit deel nog slechts 66 inwoners. Opmerkelijk was dat deze kleine gemeenschap volledig protestants was en beschikte over een eigen predikant. De bewoners van het noordelijke deel van Doeveren waren enkele jaren eerder kerkelijk ondergebracht bij Genderen.
Gezondheidszorg en verkiezingen
De medische zorg voor minder draagkrachtige inwoners werd grotendeels betaald door de diaconieën. De gemeente droeg slechts veertig gulden bij voor onder meer doodschouw. Dr. Millenaar uit Dussen vervulde de functie van armenarts, terwijl ook artsen uit Waalwijk regelmatig patiënten in Drongelen behandelden.
Volgens burgemeester en wethouders verliepen gemeenteraadsverkiezingen soms zeer spannend. Men achtte het zelfs mogelijk dat een raadslid dat in 1901 na een herstemming was gekozen, bij de volgende verkiezingen alweer zijn zetel zou verliezen.
Strijd om de gemeenschappelijke gronden
Een belangrijk gespreksonderwerp vormden de eigendommen van de afdeling Drongelen. Deze beschikte over zeventien hectare grond. Tot 1872 waren deze gronden eigendom van de inwoners zelf. Door een regeling van Gedeputeerde Staten kwamen zij echter in handen van de afdeling Drongelen.
De inwoners legden zich daar niet zonder meer bij neer. Zij voerden gedurende zes jaar rechtszaken om de gronden terug te krijgen. Zowel bij de rechtbank in Den Bosch als bij het gerechtshof verloren zij echter hun zaak. Uiteindelijk werd geen cassatie ingesteld, waardoor de gronden definitief verloren gingen. De gemeente Doeveren bezat daarentegen helemaal geen eigendommen.
Onderwijs en handwerken voor meisjes
De commissaris sprak uitgebreid over het herhalingsonderwijs, dat vooral door jongens werd bezocht. Meisjes maakten er minder gebruik van. Daarbij kwam ook de eis van Gedeputeerde Staten ter sprake dat nuttige handwerken onderdeel moesten zijn van het onderwijs voor meisjes.
Van Voorst kreeg de indruk dat burgemeester Boll creatief wilde omgaan met het aantal lesuren om aan de vereiste 96 uur te komen. Alleen dan kwam de gemeente immers in aanmerking voor een rijksvergoeding van 30 cent per lesuur.
Geen armen, maar ook geen rijken
Volgens de gemeentebestuurders kende Drongelen nauwelijks armen, maar ook geen rijke inwoners. Het totale belastbare inkomen van alle inwoners samen bedroeg volgens het kohier van de hoofdelijke omslag nog geen 40.000 gulden.
De schoolkwestie van Doeveren en Heesbeen
Een belangrijk onderwerp tijdens het bezoek was de al jarenlang slepende schoolkwestie. De commissaris drong er sterk op aan een nieuwe school te bouwen voor de kinderen uit Doeveren en Heesbeen.
Hij legde uit waarom Gedeputeerde Staten eerdere plannen hadden afgekeurd. Volgens de provincie was het onmogelijk om een school met onderwijzerswoning te realiseren voor het door de gemeenten vastgestelde maximumbedrag van 8.000 gulden.
Wethouder Oerlemans verwees daarbij naar oudere correspondentie uit 1894, waarin werd gesuggereerd dat een dergelijke school wel degelijk binnen dat budget gebouwd kon worden. Van Voorst stelde voor een deskundige bouwkundige in te schakelen en gezamenlijk een realistisch ontwerp en begroting op te laten stellen.
Grenswijziging als mogelijke oplossing
De commissaris bracht ook een mogelijke grenswijziging ter sprake. Daarbij zouden Doeveren en Heesbeen kunnen worden toegevoegd aan Oudheusden. In dat geval zou de bestaande school in Heesbeen kunnen worden uitgebreid of zou er een nieuwe school kunnen worden gebouwd voor de kinderen uit alle drie de dorpen.
De bestuurders stonden niet onwelwillend tegenover dit idee. Mogelijk zagen zij hierin een manier om van een lastig probleem af te komen. Heesbeen telde destijds 118 inwoners en Doeveren 66. Samen met Oudheusden zou daarmee een gemeenschap van ongeveer vierhonderd inwoners ontstaan.
Slechts één bezoeker
Tijdens de audiëntie meldde zich uiteindelijk slechts één inwoner: een zekere Boll uit Doeveren, zoon van een raadslid. Hij had een conflict met een buurman over de afwatering van zijn land. Het bestuur van de polder van Doeveren kon hem volgens eigen zeggen niet helpen.
De commissaris adviseerde hem zich met zijn klacht tot Gedeputeerde Staten te wenden.
De verslagen van Van Voorst tot Voorst geven een uniek beeld van het dagelijks leven in Drongelen en Doeveren rond 1900. Ze laten zien hoe onderwerpen als onderwijs, infrastructuur, gezondheidszorg en gemeentelijke herindeling al meer dan een eeuw geleden de gemoederen bezighielden.
