Wij zijn gewend om met een druk op een lichtschakelaar het elektrisch licht aan te maken (tegenwoordig ook met afstandsbediening), maar voor de invoering van het elektriciteitsnet was men vooral aangewezen op petroleumlampen. Voordat het gebruik van petroleum (wat vroeger bronolie genoemd) algemeen werd, was men aangewezen op het gebruik van kaarsen. Maar voor de gewone mensen waren kaarsen veel te duur en was men aangewezen op het gebruik van raapolie. Daarom eerst waar komt raapolie vandaan?

Raapzaad

Vrij algemeen werd raapzaad in grote hoeveelheden geteeld door de landbouwers, maar ook door de rest van de bevolking, die meestal meer dan een beroep of bedrijfje uitoefende en dus soms een kleinschalig landbouwbedrijfje hadden. In de stoppeltijd (augustus) werd het raapzaad (ook wel sloren genoemd) op een klein stukje grond gezaaid om in het najaar te worden gepland. Met stoppels worden de achtergebleven korenhalmdelen van een net geoogste akker bedoeld. Normaal gesproken worden deze stoppelvelden in de herfst omgeploegd en zo worden de stoppels verwerkt in de bodem, als bodemverbeteraar. Maar raapzaad en zijn ondersoorten worden op deze stoppelvelden dus als nagewas gekweekt.

De knollen zijn goed eetbaar voor de mens en voor vee en zijn ook eeuwenlang veel als hoofdmenu gegeten, vooral voordat de aardappel populair werd.

Een bekend spreekwoord is: 'nu zijn de rapen gaar', met andere woorden; het is zo ver, het is nu genoeg of de maat is vol. Verder komt de uitdrukking met de rapen in de pot gaan nog weleens voor. Dit wordt gezegd als iemand weinig inkomsten heeft. Hij heeft nét genoeg geld om van te leven, maar kan helemaal niets sparen of opzijleggen voor iets leuks of moois.

Na de winter begint de plant te groeien en te bloeien. Na de oogst van het zaad, wordt het zaad gedorst en gezuiverd en naar de oliemolenaar gebracht. meestal olieslager genoemd. Nu verwijzen achternamen zoals olieslagers en olieslaeghers daar nog naar.

De oliemolen

In onze omgeving, stonden onder andere in Udenhout, Haaren, Helvoirt, Giersbergen, Vlijmen en Nieuwkuijk oliemolens.

Van de molen in Helvoirt, hij stond op 'het Eijnd' (nu kruising Rijksweg en de Molenstraat), is een nauwkeurige beschrijving bewaard gebleven.

De molen was twaalf meter lang en negen meter breed. De molen had een lemen vloer en de muren waren 1,5 meter hoog met aan twee kanten ramen van 1 meter bij 0,75 meter en hele kleine ruitjes. Aan de westzijde was de ingang en aan de oostzijde was de ingang van de paardenstal, met deuren van 2,5 meter bij 1,5 meter. De kap van de molen was gedekt met stro en riet. Naast de paardenstal was een grote ruimte met in het midden de paardenmanege en de oliebank. De molen werd door het paard in beweging gebracht. Een oliemolen is onder andere nog te zien bij de Kildonkse Molen en in het Open Lucht Museum in Arnhem.

Een oliemolen werkte ongeveer als volgt: Het zaad (niet alleen raapzaad, maar ook koolzaad, lijnzaad en hennepzaad) wordt gemalen (geplet) onder twee verticale stenen (kantstenen genaamd) die op hun kant rollen over een grotere liggende steen, de legger. Het oliehoudende product wordt feitelijk onder de stenen niet gemalen, maar geplet en gekneusd. Na ongeveer 15 minuten malen wordt er iets vocht aan toegevoegd en laat men dit doormengen. Is het zaad klaar dan laat men het via de afloopbak van de legger aflopen. Het 'meel' valt dan in de voorslagmeelbak en wordt vanaf daar op een ijzeren pan gegooid om verwarmd te worden (max. 40 graden). Een roerijzer zorgt ervoor dat het zaadmengsel niet aanbrandt. Zodra het mengsel goed verwarmd is gaat het zaadmengsel in de pers en wordt daarna geheid (met veel lawaai geperst). De olie loopt via een gootje in een opvangbak. Daarna gaat de olie door een zeefdoek in een olievat om te bezinken. Alle ongerechtigheden in de olie zakken langzaam naar de bodem. Na bezinking is de olie gereed voor gebruik. Het restafval van de uitgeperste zaden wodt gebruikt voor het maken van raapkoeken. Dat was uitstekend veevoer. De koeken werden voor de verkoop op 'maat' gesneden. De raapkoek was een gewild veevoer. Het loon werd geregeld naar de hoeveelheid geperste zaad.

Het hele proces ging gepaard met veel lawaai, met als gevolg dat doofheid de beroepsziekte van de oliemolenaar was. Naast het persen werd ook een oliehandel gedreven. De naam ‘raapolie’ werd doorgaans niet gebruikt: men sprak van ‘zuten (zoete) olie’. Die werd dan ook regelmatig gebruikt in alle gezinnen bij het avondeten. Dat avondeten bestond meestal uit gekookte aardappelen met saus, gemaakt van sterk met water verdunde zuten olie, met daarna karnemelkse pap.

De oliemolen van Nieuwkuijk

In Nieuwkuijk maar ook in Giersbergen en Vlijmen stond vroeger een rosoliemolen. De oliemolen in Vlijmen is voor zover bekend niet erg lang in gebruik geweest. Jan Wouters Hoorn heeft die molen opgericht. Hij kreeg op 19 maart 1640 van Grafelijkheidsrekenkamer: Windrechten, d.w.z. toestemming voor die oliemolen. Jaarlijks moest hij daarvoor 4 pond en 4 schelling betalen. De molen is midden 1680 al niet meer in gebruik door toedoen van het Franse leger.

Bert Meijs

bmeijs@planet.nl