Verslagen van gemeentebezoeken geven een indringend beeld van Nieuwkuijk in de jaren rond en na de Eerste Wereldoorlog. Bestuurlijke wisselingen, economische hoop en tegenslagen, woningnood en sociale zorgen tekenen een dorp dat zoekt naar stabiliteit in een veranderende tijd.
Door Bert Meijs
1915: nieuw bestuur en economische verwachtingen
Bij een bezoek op 19 juli 1915 bleek het gemeentebestuur van Nieuwkuijk vrijwel geheel vernieuwd ten opzichte van 1910. Burgemeester, secretaris, een wethouder en de ontvanger waren vervangen; alleen wethouder De Hoog was nog dezelfde. De nieuwe burgemeester, C. van den Broek, maakte een kalme en verstandige indruk.
Economisch ging het de inwoners redelijk goed. Grote boeren waren er niet; de grootste bezat zes koeien. Veel boeren combineerden landbouw met tuinbouw, waarbij vooral erwten veel werden verbouwd. Er waren plannen voor een centrale groenteveiling bij het station in Vlijmen, waar omliggende dorpen hun producten zouden verkopen onder leiding van koopman Van Wagenberg.
Toch waren er zorgen. Het drinkwater liet te wensen over; slechts drie gemeentepompen leverden bruikbaar water. Daarnaast was 75 procent van de bezittingen zwaar belast. De binnenpolder van 330 hectare was grotendeels in handen van inwoners van Vlijmen, met enkele grote eigenaren daarbuiten.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog herbergden de paters van Onsenoort maandenlang 250 Belgische vluchtelingen. Opvallend was dat zij vrijgesteld waren van hoofdelijke omslag, na een beroep bij Gedeputeerde Staten.
Burgemeester Van den Broek. (kath. Illustratie)
1919: woningnood en financiële druk
Bij een nieuw bezoek in augustus 1919 bleek dat de invoering van evenredige vertegenwoordiging enkele ervaren raadsleden hun zetel had gekost, waaronder De Hoog, die 38 jaar wethouder was geweest.
De gemeente kampte met woningnood: ongeveer tien goede woningen ontbraken. Plannen voor een vereniging voor volkshuisvesting waren in voorbereiding. Tegelijkertijd was er volop werkgelegenheid en werd er geen armoede geleden. Het armbestuur hield in 1918 zelfs 800 gulden over.
Een tegenvaller was het stilleggen van de groentedrogerij van Mol-Pauwels, waar circa 25 meisjes werkten. Na het einde van de oorlog was de afzet van gedroogde groenten ingestort. De gemeente voelde zich financieel zwaar belast; de hoofdelijke omslag bedroeg inmiddels vier procent. Er leefde sympathie voor een samenvoeging met Vlijmen, wat later inderdaad zou gebeuren.
Klooster van Onze Lieve Vrouw. Een monnik in de laan naar Nieuwkuijk, 1904. (foto: Salha)
1923: economische malaise en bestuurlijke spanningen
In juni 1923 werd duidelijk dat Nieuwkuijk voor nieuwe uitdagingen stond. Hoewel twee raadsleden zich niet herkiesbaar stelden, verliepen de verkiezingen zonder strijd. Voor woningbouw deed de gemeente weinig; een opgerichte vereniging kon geen geschikt terrein vinden. Met rijkspremie werden slechts drie woningen gebouwd.
Door malaise in de mandenindustrie trokken veel jonge mensen naar steden als Eindhoven en Tilburg. Hierdoor was er op dat moment geen woningnood meer. De gemeentefinanciën bleven echter kwetsbaar. Jaarlijkse inkomsten uit vastgoed zouden in 1925 sterk teruglopen, terwijl het elektriciteitsbedrijf verlies draaide. Ook het water uit gemeentepompen was nog steeds ongeschikt als drinkwater.
De landbouw kampte met kruisbessenmeeldauw, waarvan de oorzaak onbekend bleef. De sterfte, met name onder kinderen, was zorgwekkend hoog. Werkloosheid werd in de winter bestreden met tijdelijke werkverschaffing in de mandenindustrie.
De paters van Onsenoort keerden geleidelijk terug naar Frankrijk; slechts drie bleven, die lesgaven aan vijftien leerlingen. De ziekenzorg werd verzorgd door een zuster van de Orde van Veghel, ondersteund door gemeente, armbestuur en het Wit-Gele Kruis.
Bestuurlijk waren er spanningen. Er ontstonden conflicten rond veldwachter Verhoeven en enkele inwoners. De aanvankelijk gunstig beoordeelde burgemeester Van den Broek leek volgens de waarnemer achteruit te gaan. Later gaf hij zelf aan gereserveerd te zijn geweest tijdens eerdere gesprekken, uit vrees voor het gedrag van een onbetrouwbare wethouder.
Een dorp tussen hoop en onzekerheid
De verslagen uit 1915, 1919 en 1923 tonen een dorp in ontwikkeling. Nieuwkuijk kende ondernemingszin en saamhorigheid, maar ook financiële druk, gezondheidsproblemen en bestuurlijke spanningen. Economische hoop, zoals de groenteveiling en werkgelegenheid, ging hand in hand met onzekerheid over toekomst en bestuur.
Het zijn momentopnamen van een gemeenschap die, ondanks alle uitdagingen, bleef zoeken naar stabiliteit en vooruitgang in een roerige periode van de Nederlandse geschiedenis.
