Wie de vesting van Heusden nadert, kan niet om de schoorsteen heen die ooit bij de conservenfabriek hoorde. In 2008 sloot deze fabriek (na bijna 100 jaar) zijn deuren. Machines vielen stil, de aan- en afrijdende vrachtwagens met groente en fruit behoorden plotseling tot het verleden. Veel werknemers gingen een onzekere toekomst tegemoet. Met het boek De Jonker Fris Ingeblikt in de hand maken we een reis naar het verleden.
Door Henk Poelakker met dank aan Bert Kops
Buitenlandse werknemers
In het voorjaar van 1951 kwamen de eerste Molukse gezinnen naar onder andere Kamp Vught. Terugkijkend best een beetje vreemd om deze mensen in een voormalig concentratiekamp op te vangen. Met het weinige geld dat deze mensen van de overheid kregen, kon je maar net rondkomen. Veel Molukkers zochten werk en vonden dat onder andere bij Jonker Fris, het bedrijf dat na de oorlog groeide als kool. In Kamp Vught werden iedere dag grote hoeveelheden wortelen en boontjes gebracht die schoongemaakt en gebroken moesten worden. Per mand lag er twee gulden loon klaar. Daan Soumoki laat in het bovengenoemde boek opnemen dat hij nog weet hoe het hele gezin meehielp. “Uiteindelijk hebben mijn ouders van al dat geld een heuse wasmachine gekocht.” Ook waren er extra handen nodig in de fabriek, met name aan de lopende band. Vooral vrouwen schilden de appels en peren om deze vervolgens handmatig te ontdoen van klokhuis en steeltje. De in partjes gesneden vruchten werden in grote blikken van drie liter geperst, klaar voor de export naar Engeland en Amerika.
Nostalgische advertentie uit vervlogen tijden.
Smokkelen
Veel arbeidskrachten werden met bussen aangevoerd vanuit België. Boter uit Holland werd op de terugreis verstopt onder de kleding. Bij warm weer bleek dat niet de beste plek te zijn. Smokkelen betekende een mooie aanvulling op het salaris. Geld was de grootste drijfveer van de arbeidskrachten uit het buitenland. Jonker Fris zocht en vond zelfs tot in Den Bosch pensions waar werknemers konden slapen en eten. Vaak leefden zij zeer eenvoudig om geld over te houden om, eenmaal weer thuis, een goed bestaan op te bouwen.
Kever
De economie draaide in de jaren zestig als een tierelier. Dat leidde onder andere tot de aanschaf van een auto voor de gewone man. Jonker Fris kocht in die tijd een paar Volkswagens: Kevers, bestemd voor het kantoorpersoneel. Per toerbeurt mocht iemand zo’n wagen een weekend mee naar huis nemen. Wat een feest, maar helaas niet voor lange duur. Soms ontstonden scheve gezichten als iemand de Kever mee kreeg maar deze het hele weekend onaangeroerd voor zijn huis liet staan. De auto was in die jaren immers een statussymbool.
Kameraadschap
Jonker Fris heeft zich in de loop der jaren laten zien als een afspiegeling van de samenleving. Hier werkten jongeren en ouderen samen. Hier stonden protestanten, katholieken, moslims en openbaren naast elkaar. Hier begrepen allochtonen en autochtonen elkaar, zij het soms met handen en voeten. Hier werd inspanning niet alleen beloond met geld maar ook met ontspanning. Hier kwamen vreugde en verdriet samen, hier was ruimte voor humor en kameraadschap.
