Betje Elisabeth Helena Mommersteeg (1851–1932) was een ongehuwde dochter van Petrus Mommersteeg (1806–1885) en Maria de Zeeuw (1816–1894), die in 1836 met elkaar trouwden. Het echtpaar kreeg daarnaast de zonen Michiel (1839–1908), Jan (1844–1905) en Louis (1849–1930). De ouders bezaten meerdere percelen aan het einde van de Vlijmense Meliestraat. In het midden van de 19e eeuw werd in Vlijmen en de omliggende plaatsen (Haarsteeg, Drunen, Nieuwkuijk en Ammerzoden) veel hop verbouwd, die werd gebruikt bij het brouwen van bier. Petrus Mommersteeg werd omstreeks 1850 handelaar in deze lokale hop. Vanaf circa 1870 werd de handel voortgezet door Louis en Michiel, met Betje als stille vennoot. Zij breidden de hophandel uit met Europese transacties en brachten het bedrijf tot grote bloei. Hierdoor beschikten zij over de middelen om op hun percelen de villa’s ‘De Melie’ (1867) en ‘Meerlandt’ te bouwen.

Door Bart Beaard

De hophandel

Aanvankelijk beperkte de hophandel van de familie Mommersteeg zich tot de inkoop van hop in Vlijmen en omgeving en de verkoop ervan aan bierbrouwerijen in Nederland, België en Frankrijk. Omstreeks 1878 werd de handel uitgebreid met import uit Russisch Polen naar Engeland. Tijdens het plukseizoen verbleef Louis Mommersteeg maandenlang in Russisch Polen. Wanneer hij brieven aan zijn echtgenote schreef, liet hij die versturen via een adres in ’s-Hertogenbosch. Zijn verblijfplaats hield hij geheim, uit concurrentieoverwegingen. Hij kocht hop in de streek tussen Warschau en Krakau en verkocht deze rechtstreeks aan W.H. and H. Le May Hop Factors in Londen. Louis verzorgde en begeleidde ook het transport. Hiervoor organiseerde hij karavanen van karren die dagenlang over modderige wegen naar spoorwegstations trokken. Per trein werd de hop vervolgens naar de zeehaven Gdańsk (Danzig) vervoerd en vandaar per schip naar Engeland verscheept. In 1887 kwam Le May in financiële problemen, onder meer door importbeperkende maatregelen van de Engelse overheid en door misoogsten in Engeland. Ook in Nederland werd de hopteelt steeds minder rendabel: de kwaliteit liep terug, de kosten stegen, kleine brouwerijen verdwenen en de handel kreeg een speculatief karakter. Op de landerijen van Mommersteeg werden tussen 1890 en 1895 bemestingsproeven uitgevoerd, maar deze leidden niet tot een structurele verbetering van de teelt. Aan het begin van de 20e eeuw verdween de hopteelt in deze regio vrijwel geheel. In plaats daarvan kwamen de teelt van groenten en zacht fruit op. Betje hield zich bezig met de administratie van de hophandel. Daarnaast bezat zij in Waalwijk een textielwinkel, ook wel lakenhandel genoemd. In Vlijmen verwierf zij bovendien diverse percelen grond, onder meer in de Grote en Kleine Kaveling, de Naekten Hoek, Middel en Hoge Heide en het Vlijmens Veld. Deze gronden werden na de Tweede Wereldoorlog door haar erfgenamen verkocht aan de gemeenten Vlijmen en ’s-Hertogenbosch.

Huize ‘Meerlandt’ aan de Vlijmense Meliestraat in 1904 met de bloemenkas aan de linkerzijde, gebouwd in 1895. (foto: Collectie Hans Mommersteeg)

Huize ‘Meerlandt’ aan de Vlijmense Meliestraat in 1904 met de bloemenkas aan de linkerzijde, gebouwd in 1895. (foto: Collectie Hans Mommersteeg)

Huize Meerlandt

In 1895 verkreeg Betje uit de nalatenschap van haar grootvader Theodorus de Zeeuw enkele percelen aan de Meliestraat. Op deze grond liet zij een villa bouwen in Engelse stijl, die we nu kennen als Huize Meerlandt; een naam die verwijst naar ‘Meerland’, een weilandengebied in het Vlijmensche Veld. Aan de linkerzijde van de villa werd een bloemenkas aangebouwd.

Bloemen kweken en schikken was haar grote hobby; het merendeel van de bloemen was bestemd voor het altaar van de rooms-katholieke kerk. Met Pasen en in de meimaand werd het kerkkoor uitbundig versierd en werden ook de palmen uit haar kas naar de kerk gebracht. Rondom de villa lag een grote siertuin, aangevuld met percelen voor de teelt van groenten, fruit en bloemen.

Zoals gebruikelijk in die tijd beschikte zij over personeel: een inwonende huishoudster, een tuinman en een koetsier. Bij bijzondere gelegenheden werd de villa rijk versierd, bijvoorbeeld bij de doorkomst van koningin Wilhelmina op 8 augustus 1904 en bij de inhuldiging van burgemeester Gerardus van de Ven in 1907.

In 1915 werd de eerste privétennisbaan van de Langstraat aangelegd, die nog altijd bestaat. De aanleg vond plaats onder supervisie van een Antwerpse professor, met als doel een baan te creëren die weinig onderhoud vergde. Het moet een bijzonder tafereel zijn geweest: tennissende dames in lange witte rokken, bijpassende bloesjes en hoedjes, geheel volgens de mode van die tijd.

Familiegraf Mommersteeg op de R.K. begraafplaats in Vlijmen. (foto: Bart Beaard)

Familiegraf Mommersteeg op de R.K. begraafplaats in Vlijmen. (foto: Bart Beaard)

Grafmonument

Omstreeks 1925 wilde Betje aan de kerk een schenking doen, maar daarover moesten in die dagen schenkingsrechten betaald worden. Dat vond zij jammer van het geld en zei daarom tegen de pastoor. ‘Geef me dan maar voor dat bedrag grafrechten…’. Vervolgens nam Betje het initiatief voor de aanleg van een familiegraf. Het monument is gemaakt van zwart gepolijst graniet. Het profiel van de stèle, het verticale gedeelte, loopt ingezwenkt vanaf de bodemplaat naar het Griekse kruis. Het liggende gedeelte bestaat uit een bodemplaat, die de kelder afdicht. Daarop liggen drie kleinere platen waarin de steenhouwer handmatig de gegevens van de overleden familieleden heeft gekapt. In de middelste plaat werd de volgende tekst gekapt:

Gedenk Heer hen die ons zijn

voorgegaan met het tee:

ken des geloofs en slapen

den slaap des vredes

Betje’s broer Louis (1848-1930) was de eerste die in het graf geplaatst werd. In de grafkelder bevinden zich nu acht kisten en twee urnen. In de gesloten grafkelder is een ruimte waarin de kisten gestapeld liggen. Boven deze ruimte en onder de bodemplaat van het monument is een ruimte ingericht met voldoende plaats voor zes urnen. Voor het inbrengen van de kisten in de kelder werd een gat gegraven, dat haaks op het graf uitkwam met de lengte van een kist. Door aan de zijkant van de grafkelder een gat te hakken kon men een kist in de lengte naar binnen schuiven.

Fraterschool

Omstreeks 1900 verzocht de Vlijmense pastoor Jacobus van der Pas de Congregatie van de Fraters van Tilburg om frateronderwijzers voor zijn parochie, maar het zou nog vijf jaar duren voordat dit verzoek werd ingewilligd. Op 28 december 1905 kreeg frater Honoratus de opdracht een school en een fraterhuis te stichten. Het schoolgebouw werd bekostigd door de gemeente, terwijl het fraterhuis werd gefinancierd door Michiel en Betje Mommersteeg. Op 1 januari 1906 werd de school, bemand door vijf fraters, in gebruik genomen. In het daaropvolgende jaar, op 6 juni, werden zowel de school als het fraterhuis door de pastoor ingezegend.