Henk Poelakker, woonachtig in Heusden, vond na het overlijden van zijn vader (1920-2011) kopieën van processen-verbaal uit lang vervlogen tijden toen ‘Vader Bromsnor’ werkzaam was bij de Rijkspolitie. Die vondst werd een inspiratiebron om verhalen te schrijven.

Slinkse wijze

De voogdijraad vraagt aan de burgemeester om nadere inlichtingen over Aloijsius A. Het gemeentehuis legt die vraag in 1953 vervolgens neer op het bureau van Bromsnor. A.A. is 15 jaar en werkt als leerling-schoenmaker, hij is de jongste in een gezin van acht kinderen. De voogdijraad heeft meerdere klachten over diefstal en baldadigheid binnen gekregen. Bromsnor gaat op onderzoek uit, praat met de baas van A.A., met het hoofd der school, met de ouders, met meneer Pastoor, met een vriend. Er doemt een beeld op van een verwend jochie dat op slinkse wijze onder de aandacht van zijn ouders weet te ontkomen. De opvoeding door de relatief op leeftijd zijnde ouders (vader is 64, moeder is 60) laat te wensen over. Het hoofd der school deelt mee nooit last te hebben gehad van A.A. maar wel van zijn vriend Hendrikus T. Meneer Pastoor kent het gezin nauwelijks en denkt dat de ouders in staat zijn om het ventje goed op te voeden. In de administratie van de politie staat dat vader meermalen veroordeeld is. Dat dossier is waarschijnlijk door de oorlog niet meer compleet want voor welke feiten vader veroordeeld is, staat niet in de papieren. Tegen een van de broers van A.A. is proces-verbaal opgemaakt: in 1943 wegens diefstal, in 1950 stroperij, in 1951 jachtwet en dit jaar nog voor het onbevoegd voorhanden hebben van een vuurwapen.

Bewijs ontbreekt

Toch is het algemene beeld dat Bromsnor over A.A. krijgt zeker niet ongunstig. Vader heeft altijd hard gewerkt, is na de oorlog niet meer met justitie in aanraking geweest. Minpuntje: hij spuugt niet bepaald in een stevige borrel. Tijd om eens te gaan praten met vriend Hendrikus want beide jongens zijn de afgelopen tijd opvallend veel samen. Tot laat in de avond langs de weg schuimend, mensen lastig vallen, baldadigheid, altijd erbij zijn als er ergens rottigheid wordt uitgehaald. Bewijs ontbreekt echter dat de twee daadwerkelijk verantwoordelijk zijn voor de overlast. Hebben ze simpelweg geluk dat de politie hen (nog) niet op heterdaad heeft kunnen betrappen? Hebben ze een neus voor onraad waardoor ze net op tijd weg zijn zodra de veldwachter in aantocht is? Vriend Hendrikus haalt bij alle vragen de schouders op en vertelt dat de jongens het goed met elkaar kunnen vinden en zeker niet uit zijn op relletjes.

Subjectieve opsomming

Als buitenstaander zou je zeggen: feitelijk is er nauwelijks iets ernstigs te melden aan de voogdijraad over A.A. Maar Bromsnor neemt de kans waar door zijn eigen mening aan het papier toe te vertrouwen. Een subjectieve opsomming. Citaat uit het rapport: 'Volgens mij is A.A. als jongste in het gezin zeer verwend. Desondanks ben ik ervan overtuigd dat de ouders goed in staat zijn om hem op een behoorlijke manier op te voeden. Hij verdient 20 gulden in de week en zijn werkgever is tevreden over zijn inzet. Volgens mij is van Aloijsius een goede jongen te maken maar laat hij zijn ‘kop’ teveel hangen naar zijn oudere vriend Hendrikus. Ik ben zo vrij geweest om de vader van A.A. hierover te informeren die beloofde onmiddellijk maatregelen te treffen. Vader weet zeker dat hij zijn jongen in het gareel weet te houden en wil hem niet meer samen zien met Hendrikus. Die laatste ontkent overigens bij hoog en laag dat hij samen met A.A. betrokken was bij baldadigheid op de openbare weg, iets dat A.A. bekend heeft.'