Ik zag een klein kind in de wachtrij voor de kassa aan een roestvrijstalen rekje likken. Als klein kind had ik ook zo’n lik fase. Ook ik moest wel eens ergens aan likken of ik beet er in om de structuur en de hardheid van het materiaal te ontdekken. Blijkbaar gaf mij dat een totaal beeld van de materie.
Ik herinner mij zelfs dat ik ooit wel eens met een zwarte mond heb rondgelopen omdat ik op een stukje steenkool (antraciet) had gekauwd. Zelfs mijn tong was gitzwart. Daar hebben mijn broertje en zusje hard om gelachen. Mijn moeder kon dat niet waarderen, daarom moest ik voor straf met mijn zwarte mond naar de peuterspeelzaal toe. Na dat voorval hebben mijn vader en moeder mij dat likken en bijten vrij snel afgeleerd.
Later kwam ik er achter dat de oervolken ook bijna overal aan likten, om hun kennis te vergroten. Als ik eerlijk moet zijn, ik ben altijd een onderzoekend kind geweest. Daardoor ontdekte ik dat er overal wel een leuke en humoristische kant aan zit. Daar was mijn omgeving niet altijd gelukkig mee waardoor ik wel eens geschorst ben door de meester van de basisschool. Omdat ik mij tijdens de biologieles, toen de meester even weggeroepen was, had verstopt in de schuifkast. Om de les een beetje uit de sleur te halen deed ik, wat ik ooit van mijn opa had geleerd, een kraaiende haan na. Dat klonk zo natuurgetrouw dat de meester dacht dat iemand in zijn tas als grap een haan had binnen gesmokkeld. Voordat hij er achter kwam dat ik het hanengeluid vanachter de schuifkast produceerde, had hij al verschillende tassen gecontroleerd. De straf van mijn ouders was niet mis; ik mocht de hele week na schooltijd niet meer buitenspelen.
Ik moet ook eerlijk bekennen dat ik in die tijd ook regelmatig een draai om mijn oren kreeg. In mijn kindertijd deden ze daar niet zo moeilijk over. Zo ook die keer dat we gingen zwemmen in de zwemplas. Op een gegeven moment zag ik een man iets zoeken langs de waterkant. Ik vroeg aan hem of hij soms een bril zocht. Opgelucht zei hij 'ja’, waarna ik vertelde dat mijn zusje een bril had gevonden. Maar mijn vader had zijn bril nog op, daarom had ik tegen mijn zusje gezegd: "Breng hem maar terug waar je hem hebt gevonden." Met het gevolg dat ze de bril weer in de zwemplas had gegooid. Dit tot groot ongenoegen van mijn vader die het gesprek met de brilzoekende meneer had meegeluisterd. Hij zei tegen mij zei: "Had hem dan aan mij gegeven, dan hoef die meneer niet de hele zwemplas af te zoeken." Als ik daar nog aan terugdenk, dan doet mijn oor nog steeds zeer.
Jules Faber
