Wanneer iemand tot priester gewijd werd was het vroeger groot feest voor de familie en het dorp. De harmonie, het gilde en de rest van het dorp liepen uit voor hun dorpsgenoot. Boerenzoon Tiny Muskens uit Elshout groeide in de katholieke kerk uit tot een fenomeen met als bekroning zijn benoeming tot bisschop in 1994.
Bonte Avond
De broers Kees en Tiny zaten op het Klein Seminarie (1949) en hielden contact met het thuisfront in Elshout middels brieven. Op een dag schreef moeder dat meester Peeters onze dorpsschool ging verlaten om hoofd van een school in Den Bosch te worden. Dat was een vreselijk bericht. Als student had ik weinig zelfvertrouwen en keerde steeds meer in mezelf. Ik werd hyperreligieus, de religie nam me volledig in beslag. Toen ik in het derde jaar van de school zat, werd ik geveld door een zware griep. In het ziekenzaaltje heb ik toen veel boeken gelezen. Een jaar later kwamen wij als vierdeklassers op het idee om vlak vóór de vasten een bonte avond te organiseren. Het is moeilijk uit te leggen hoe bijzonder dat destijds was vooral omdat we zonder enig toezicht de avond mochten voorbereiden. We kregen de ruimte en het vertrouwen van onze priester-surveillanten. Dat soort activiteiten zouden achteraf bezien de vernieuwing in onze kerk aankondigen. Ook ik veranderde langzaamaan, mede omdat docenten me aanmoedigden om minder binnen de lijntjes te blijven. Voor de bonte avond durfde ik zo maar (mede) het voortouw te nemen. Een geweldige overwinning van mijn geslotenheid.
Douchen met de broek aan
De vorige keer vertelde ik dat we geen bijzondere (lees: innige) vriendschappen mochten aangaan. Opletten dus, ook met het contact met je eigen lichaam. Zelfs tijdens het douchen werd je geleerd om een broek aan te houden. Met andere jongens was er nauwelijks een openhartig gesprek mogelijk over de veranderingen van jongen naar man. Mijn lichaam trok zich weinig aan van de regels want op een keer werd ik midden in de nacht wakker. Een droom, waarschijnlijk sensueel. Vreselijk geschrokken en in tranen vertelde ik het mijn biechtvader die me vertelde dat het een heel gewoon verschijnsel is. Het vijfde leerjaar begon goed want ik kreeg een aantrekkelijk baantje; ik werd één van de zes kosters. Een koster op het Klein Seminarie zat altijd vooraan en moest de priesters assisteren bij het aankleden in de sacristie. Ook zorgde de koster ervoor dat de zijaltaren in orde waren. Niet onbelangrijk: een koster kreeg vier extra vrije dagen in de zomer. Om het nog mooier te maken: broer Kees mocht op mijn vrije dagen mee naar huis in Elshout.
Verbonden met de natuur
In dat vijfde leerjaar kreeg ik voor een examen een tien. De hele klas applaudisseerde en ik gloeide van trots. Eindelijk was ik verlost van het imago van de sportieve jongen die niet zo goed kon leren. Thuis in Elshout hielp ik steeds minder vaak op de boerderij. Het echte werk was voor vader, broer Jan en Willem de Man. Toch bleef ik warme gevoelens houden voor het boerenleven. De gehechtheid aan het land, het leven met de dieren en de verbondenheid met de natuur vond ik prachtig. Broer Kees ging na het Klein Seminarie geschiedenis studeren in Nijmegen. Hij voelde geen roeping. Dat betekende dat ik extra mijn best moest doen om toegelaten te worden tot het Groot Seminarie. Mijn wens die ik al sinds mijn kindertijd had, ging gelukkig in vervulling. Een tweede verlangen borrelde en dat was kennismaken met verre landen, andere gewoontes, het ontdekken van het onbekende. Lourdes was één van de eerste verre oorden waar ik na mijn afstuderen naar toe ben geweest.
Volgende keer: 1956-1962, wennen aan het Groot Seminarie.
Het boek ‘Wees niet bang’ mogen we van de schrijver Arjan Broers als inspiratiebron voor deze rubriek gebruiken.
