Wanneer iemand tot priester gewijd werd, was het vroeger groot feest voor de familie en het hele dorp. De harmonie, het gilde en de rest van het dorp liepen uit voor hun dorpsgenoot. Boerenzoon Tiny Muskens uit Elshout groeide in de katholieke kerk uit tot een fenomeen met als bekroning zijn benoeming tot bisschop in 1994.
Monseigneur Bekkers
Na twee jaar kapelaan in Veldhoven, wilde Muskens het liefst een aantal jaren in een ver land gaan werken, beter bekend als een verblijf in de missie. Wat hield dat in? Samengevat werd dat destijds ‘zieltjes winnen’ genoemd. Zijn bisschop in 1964 was monseigneur Bekkers en die begreep dat je niet onvoorbereid de missie in kon gaan. De afspraak werd: je wordt twee jaar kapelaan in Nijmegen. Door de week besteed je de tijd aan studeren, met andere woorden voorbereiden op de missie. In het weekend ben je er voor de parochie.
In 1966 stierf de vader van Tiny in het ziekenhuis van Waalwijk. Vader wist dat zijn vier zoons goed terecht gekomen waren. Jan op de boerderij, Kees leraar geschiedenis, Harrie trouwde een fijne vrouw uit een familie die vader kende en Tiny op zijn plaats in de kerk. In datzelfde jaar overleed bisschop Bekkers. Een grote schok voor niet alleen katholiek Nederland. Deze zeer geliefde man, ook in protestante kring, had op de KRO-televisie publiekelijk verklaard dat de mensen voortaan zelf moesten bepalen hoeveel kinderen ze wilden opvoeden. Een breuk met het katholieke verleden waarin de pastoor of kapelaan op bezoek kwam als het volgende kindje te lang op zich liet wachten.
Monseigneur Bekkers.
Studiereis
In 1966 voltooide ik mijn scriptie over de kerk in Indonesië. Ik vroeg aan bisschop Bluyssen of ik een studiereis mocht maken naar landen met andere culturen en geloven. Ik zou graag eens een echte hindoe, moslim en boeddhist tegenkomen. Er volgde snel antwoord: ga maar gauw. In 1967 vertrok ik, uitgezwaaid door familie en vrienden. Neefje Marcel op mijn arm huilde omdat oom Tiny voor langere tijd wegging. Voor het eerst stapte ik in een vliegtuig, op weg naar het eerste land: Pakistan. Ik was geschokt door de hardheid van de samenleving waar niet of nauwelijks plaats was voor andersdenkenden. Elke echte Pakistaan is een moslim; een opstelling waardoor christenen het zwaar hadden. Via Thailand landde ik in mei 1967 in Indonesië, het land waar ik het langst zou verblijven. Aan de ene kant trof ik iets bekends in de vorm van Nederlandse woorden, anderzijds was alles zo anders. De landschappen, de geuren en kleuren, het eten, de bouwstijlen, de kunst, de armoede, de sierlijk gebouwde mensen naast wie ik me een lompe reus voelde. Slechts 5% van de bevolking was katholiek (Indonesië is een land van overwegend moslims) en het leek erop dat er een vorm van wederzijds respect was. Ik bezocht talloze eilanden als Java, Sumatra, Flores, Bali en Kalimantan. Overal maakte ik kennis met leidinggevende gelovigen en zag ik dat de missie veel meer inhield dan zieltjes winnen en schooltjes bouwen. Veel missionarissen hadden de moed en geduld om de cultuur, de mythen en riten van de bevolking niet alleen te bestuderen maar ook vast te leggen. Eenmaal terug in Nederland kreeg ik hoge koorts. Malaria? Nee, het bleek een ontsteking te zijn van de blinde darm. Had ik dat in het oerwoud gekregen, dan had ik die ontsteking waarschijnlijk niet overleefd.
Het boek ‘Wees niet bang’ mogen we van de schrijver Arjan Broers als inspiratiebron voor deze rubriek gebruiken.
