Wanneer iemand tot priester gewijd werd, was het vroeger groot feest voor de familie en het hele dorp. De harmonie, het gilde en de rest van het dorp liepen uit voor hun dorpsgenoot. Boerenzoon Tiny Muskens uit Elshout groeide in de katholieke kerk uit tot een fenomeen met als bekroning zijn benoeming tot bisschop in 1994.

Soekarno

Tiny Muskens zou zeven jaar in Indonesië wonen en werken (1970-1977). Zijn werk bestond voor een groot deel uit archiveren, niet bepaald de sterke kant van de plaatselijke Indonesiërs. Al snuffelend en lezend bleek dat een zekere Pater Friens (overleden in 1969) al veel gearchiveerd had over de periode 1807 tot 1950. Lang heerste er in het land angst en dan specifiek voor de katholieken. De grote leider van het land Soekarno wedijverde voor een maatschappij waar iedereen zich thuis kon voelen. Helaas kreeg hij te maken met conflicten, aangewakkerd door het communisme en een radicale tak van de islam. Uiteindelijk moest Soekarno het veld ruimen voor een zeer strenge leider: Suharto.

Celibaat

In het altijd warme Indonesië, had ook ik last van het namiddag duiveltje. Zo tussen vier en zes uur werd je loom en was de scherpzinnigheid er wel vanaf. Vaak maakte ik in die uren een wandeling of stapte ik een hotel met airconditioning binnen om daar de krant te lezen. Op het seminarie had men ons al verteld dat priesters tussen hun 30e en 40e levensjaar het meest worstelden met het celibaat. Je voelt de drang groeien om je te verbinden met een partner. Veel priesters gaan juist in die periode van hun leven een relatie aan. Of: vereenzamen en raken verbitterd. Hier in Indonesië was ik een man in de kracht van mijn leven. Ik begon me af te vragen hoe mijn leven eruit had gezien als ik wél een partner had gehad en misschien zelfs kinderen. Helaas is de kerk bang voor een open gesprek over seksualiteit. Dat geldt ook voor mezelf. Gelukkig heb ik me niet al te druk gemaakt over het voorgaande. Als ik een probleem heb waarmee ik niet in het reine kom, leg ik het voor aan God in mijn gebeden. Meestal ebt het probleem dan vanzelf weg.

De kapel van de broeders van Dongen in Jakarta.

De kapel van de broeders van Dongen in Jakarta.

Betjak

Naarmate ik meer vrienden kreeg en minder eenzaam was, nam de onrust over een partner af. Ik stond dagelijks rond vijf uur op. Te voet of per betjak (soort bakfiets-taxi) ging ik naar de broeders van Dongen. In hun kapel begon de mis terwijl het buiten nog donker was. Met de ramen wijd open om de koelte binnen te laten, hoorde je de geluiden van de ontwakende stad. Na de zegen ontbeet ik met de broeders waar ik me zo thuis voelde. Gaandeweg kreeg ik meer en meer contacten met mensen bij wie ik me op mijn gemak voelde. Ik werkte met discipline aan mijn opdracht om de kerkgeschiedenis van Indonesië te beschrijven en dat in de eigen landstaal.

Het boek ‘Wees niet bang’ mogen we van de schrijver Arjan Broers als inspiratiebron voor deze rubriek gebruiken.