Na het opblazen van de stadhuistoren in de nacht van 4 op 5 november 1944 werd Heusden geconfronteerd met een toen nog onbekend aantal dodelijke slachtoffers. Direct werd begonnen met het bergen van de lichamen. De slachtoffers werden geïdentificeerd en vervolgens klaargelegd voor hun begrafenis. Er werd besloten om zowel op de rooms-katholieke begraafplaats aan de Heusdenseweg, het huidige ‘Buytenhove’, als op de Nederlands Hervormde begraafplaats aan de Vestingweg, het huidige ‘Westakker’, een massagraf te delven.
Door Bart Beaard
Het delven van de graven, het overbrengen van de lichamen, de graflegging en het later bedekken van de graven werd uitgevoerd door een groep woonwagenbewoners die toevallig in Heusden verbleef. Deze informatie is afkomstig uit een archiefstuk van Jan van Elderen, opperwachtmeester van politie. Omdat er nauwelijks hout beschikbaar was om kisten te maken, werden de slachtoffers voornamelijk begraven in de kleding die zij bij zich droegen. Met gevorderde boerenkarren werden de lichamen naar de begraafplaatsen gebracht. Daar werden zij naast elkaar in de massagraven gelegd. Van Elderen noteerde nauwkeurig de ligging van de graven. Op zaterdag 12 november 1944 om 13.00 uur werd het laatste slachtoffer begraven. Op 7 december 1944 deed Van Elderen bij de Burgerlijke Stand aangifte van het overlijden van 134 slachtoffers.
Oorlogsmonument op het katholieke massagraf op begraafplaats Buytenhove. (foto: Bart Beaard)
Tragedie familie Van den Berg
Mart van den Berg (*Heesbeen, 1880) was getrouwd met Maria Merkx (*Genderen, 1883). Het echtpaar kreeg tien kinderen. Toen in oktober 1944 het oorlogsgeweld Heusden naderde, lag Mart volgens zijn zoon Flip (*Heusden, 1918) al enige dagen, sinds 3 november, in het Groot Ziekengasthuis in ’s-Hertogenbosch.
Hun zoon Jo (*Heusden, 1904), ijzerwerker op de scheepswerf, was getrouwd met Dora van Eeuwijk (*Duisburg, Duitsland, 1904). Zij hadden een dochter Riet (*Heusden, 1930) en woonden aan de Gasthuisstraat 6. Omdat hun huis geen kelder had, schuilden zij tijdens de bevrijding in het stadhuis.
Bij de stadhuisramp op 5 november 1944 kwamen vier leden van de familie Van den Berg om het leven: moeder Maria van den Berg-Merkx, haar dochter Maria (*Heusden, 1924), haar zoon Jo en haar kleindochter Riet. Zij werden begraven in het katholieke massagraf. Vader Mart overleed op 23 november 1944 in het ziekenhuis in ’s-Hertogenbosch. Hij kreeg aanvankelijk een tijdelijk graf op de begraafplaats in Orthen. Op 19 september 1945 werd hij op de katholieke begraafplaats in Heusden herbegraven.
Samen gekist
Een bijzondere gebeurtenis vond plaats op 6 augustus 1945. Zoon Mart (*1914) had aan A. van Delft, waarnemend burgemeester van Heusden, mondeling verlof gevraagd voor het opgraven en herbegraven van de stoffelijke overschotten van zijn vier omgekomen familieleden. Op die dag werden Maria van den Berg-Merkx, haar dochter Maria, haar zoon Jo en zijn dochter Riet uit het katholieke massagraf opgegraven. Na een uitvaartdienst om 19.45 uur in de noodkerk aan de Putterstraat werden alle vier herbegraven op de katholieke begraafplaats. Jo en Riet werden ‘samen gekist’; moeder Maria en dochter Maria kregen afzonderlijke graven. Het grafmonument van Jo en Riet is nog steeds aanwezig. Op de steen staat:
JOHANNES v.d. BERG en MARIA de DOCHTER, MET DE STADHUISRAMP OMGEKOMEN 5-11-1944
Grafmonument op begraafplaats Buytenhove van Jo van den Berg en zijn dochter Riet, omgekomen met de stadhuisramp van 5 november 1944. (foto: Bart Beaard)
De vermelding van 5 november 1944 als overlijdensdatum is begrijpelijk, maar roept ook een vraag op. Het katholieke massagraf werd immers pas op 12 november 1944 gesloten. Waarom kregen Jo en Riet dan enkele maanden later een eigen graf en een grafmonument met de datum van de stadhuisramp?
Recent onderzoek in het archiefstuk ‘Begraafplaats der Katholieke Parochie van Heusden c.a.’ wierp nieuw licht op deze bijzondere herbegrafenis van Jo en Riet. Het onderzoek verklaart ook waarom zij uiteindelijk een afzonderlijk grafmonument kregen, terwijl zij aanvankelijk samen met de andere slachtoffers in het katholieke massagraf waren begraven. Een brief van waarnemend burgemeester A. van Delft in het SALHA-archief over het verzoek en de verleende vergunning bevestigt de gang van zaken.
