Al vele eeuwen meandert het Oude Maasje tussen de inundatiesluis in de Hoge Maasdijk bij Hedikhuizen en de schotbalkensluis in de Elshoutse Zeedijk bij Doeveren. Het riviertje zorgde voor de afvoer van kwel- en regenwater en voorzag tevens in water voor de land- en tuinbouw. Vanaf het begin van de 18e eeuw kreeg het een militaire functie. Vestingbouwkundige Menno van Coehoorn ontwierp de Zuiderwaterlinie en kon het gebied langs het Oude Maasje geïnundeerd worden, oftewel onder water gezet worden. In het midden van de 19e eeuw kwam een groot gedeelte van de Heerlijkheid Heesbeen, gelegen in de toenmalige gemeente Eethen, door vererving in bezit van de Duitse graaf Gisbert von Romberg, heer van Heesbeen. In 1867 ging dit bezit door vererving over op zijn minderjarig kleinkind, gravin Mathilde Wolff-Metternich. Mathilde liet op 8 juli 1880 een deel van haar grondbezit, het gebied in Heesbeen tussen het Oude Maasje en De West Akkers, publiek verkopen. Dit gebied stond ook bekend als Het Dooiblok.
Door Bart Beaard
De nieuwe eigenaar werd Jules Plissart, een koopman uit Antwerpen. Op het perceel werd in 1889 een boerderij gebouwd ten behoeve van verpachting. In 1928 werd deze boerderij kadastraal als ‘gesloopt en gesticht’ geregistreerd, waarschijnlijk na een brand. De boerderij kende meerdere eigenaren, onder wie Jan, Bartel en Paulus Colijn, Hubertus en Maria Verhoeven-Malingré en hun latere nazaten. In 1969 kochten Cees en Zus van Loon–Van der Staak, afkomstig van de Grotestraat 200 in Drunen, de boerderij met een perceel grond. Hun eerdere bedrijf bood geen uitbreidingsmogelijkheden. Na honderden fruitbomen gerooid te hebben begonnen zij aan het uitbouwen tot een groot melkveehouderijbedrijf, dat in 1990 werd overgenomen door hun zoon Theo.
De eenlaagse boerderij heeft een mansardedak met een wolfseind aan de voorzijde. (foto: Bart Beaard)
Bouwstijl
Het gemeentelijk monument is fraai gelegen op enkele honderden meters afstand van de weg Heesbeen-Doeveren en is na een brug over het Oude Maasje bereikbaar via een toegangsweg. Het betreft een kortgevelboerderij, waarbij het woongedeelte zich aan de straatzijde bevindt, gevolgd door de deel (het werkgedeelte) en vervolgens de stal. Het eenlaagse pand is voorzien van een mansardedak, een dakvorm met een kenmerkende knik waarbij het onderste deel steiler is dan het bovenste. Deze constructie, vernoemd naar de Franse architect François Mansart, zorgt voor extra stahoogte en meer bruikbare ruimte onder het dak, wat het bijzonder geschikt maakt voor zolderkamers. Aan de voorzijde is het dak uitgevoerd met een wolfseind en een zinken mastgoot. De noklijn staat loodrecht op de toegangsweg. Het dak is gedekt met blauw gesmoorde dakpannen van het type ‘dubbele muldenpan’. De nok van het dak heeft nokvorsten met aan het einde een eindvorst, bekroond met een piron. De bovenzijde van de gevel is afgewerkt met een circa 15 centimeter hoge cementlaag, waarin tevens de gevelpannen zijn gelegd. De gevel is opgetrokken in baksteen in kruisverband en afgewerkt met een knipvoeg. De symmetrisch ingedeelde voorgevel bevat op de begane grond vier schuifraamvensters en op de verdieping drie, alle met drieruits bovenlichten. De voordeur is een paneeldeur met een draairaampje en bevindt zich in een circa 30 centimeter diepe nis. Boven de vensters en de deur loopt over de volle breedte van de gevel een anderhalve steen hoge rollaag. Naast de vensters van de begane grond zijn opgeklampte luiken aangebracht. Het pand heeft rondom een 40 centimeter hoge gepleisterde plint.
