Het pand werd in 1909 gebouwd door schoenmaker Adrianus Woutherus Pijnenburg. Kadastraal werd het omschreven als ‘huis, erf en uitweg’. Aan de noordzijde van het pand lag de Eerste Dwerg, een sloot die zorgde voor de afwatering van hemel-, kwel- en rioolwater, evenals voor de aanvoer van beregeningswater voor de land- en tuinbouw.
Door Bart Beaard
Voor het goede waterpeil was de sloot voorzien van stuwen. De sloot liep vanaf Hulten, het oostelijk gelegen deel van Drunen, via De Voorste Venne naar de Kleinestraat en vervolgens naar de Drunense sluis in de Elshoutse Zeedijk. De Voorste Venne vormde het landbouwgebied tussen de Grotestraat en het zuidelijk gelegen buurtschap Het Sempke. Door toenemende bebouwing is de sloot geleidelijk verdwenen. Ter hoogte van dit pand aan de Torenstraat bleef zij nog bestaan tot omstreeks 2000, toen de Joost van de Vondellaan werd aangelegd.
De fries vormt de gevelbeëindiging aan de bovenzijde van de klokgevel en draagt de houten kroonlijst. De kroonlijst is afgedekt met een zinken deklijst met kraal. (foto: Ad Pellemans)
Bouwdetails
Het pand is uitgevoerd als kortgevelwoning en passend binnen de smalle perceelverkaveling. In Drunen, met name in de Grotestraat, Torenstraat en Stationsstraat, komen meerdere woningen met een vergelijkbare bouwstijl voor. Het betreft een eenlaags pand met een zadeldak, waarvan de nok haaks op de straat staat. Aan de straatzijde is het dak voorzien van een klein wolfseind en gedekt met blauw gesmoorde terracotta dakpannen van het type kruispan.
De voorgevel heeft de vorm van een afgeknotte klokgevel en is aan de bovenzijde afgewerkt met een houten kroon- en gootlijst. De gevel is gemetseld in kruisverband met roodbruine baksteen en afgewerkt met een knipvoeg. Op meerdere plaatsen zijn reparatievlekken, vanwege granaatbeschietingen tijdens de bevrijding in 1944. De fries, het gevelgedeelte onder de kroonlijst, wordt gevormd door een halfsteense verschuiving met uitstekende koppen en een laag muizentanden.
De bovenrand van de klokgevel is voorzien van een halfsteens rollaag en begint met een natuurstenen ornament op het schouderstuk (de gevelverbreding). Alle venster- en deuropeningen zijn aan de bovenzijde getoogd en voorzien van een anderhalfsteens hoge getoogde rollaag.
De tweeruitsvensters en de voordeur hebben bovenramen met glas-in-lood, uitgevoerd in een eenvoudig patroon van rechthoekige, gekleurde glasplaatjes. De vensters zijn voorzien van hardstenen raamdorpels. De voordeur is niet oorspronkelijk en is nu een hardhouten paneeldeur. De onderzijde van de gevel is afgewerkt met een plint in cementpleister.
