1959
Carnaval. Het feest dat de Vastentijd inluidt, zit er aan te komen. Ik was een jaar of zes toen ik met mijn moeder naar de optocht ging kijken. Ik zat achterop, de beentjes keurig in de fietstas. Mijn moeder kende goede plekjes waar je de fiets veilig kon neerzetten. We stonden ergens op een stoep tussen een heleboel mensen, wachtend op de optocht. Gravend in mijn geheugen zie ik de eerste ‘megapoppen’ die politieagenten moesten voorstellen. Zij openden de optocht. Ik wist dat het gewone mensen waren maar begreep niet dat iemand wel vier meter lang kon zijn. Dat men ergens in de pop een kijkgat had gemaakt, kwam niet in me op. Er was muziek, er was feest, het was gezellig. De optocht was voor mij hét carnaval want wat er in cafés gebeurde had ik in 1959 nog geen weet van. De optocht kende loopgroepen (o.a. cowboys en indianen), praalwagens maar ook verklede mensen op houten reuzefietsen. Hoor ik daar een muziekkorps aankomen? Ik zie die rare fietsen opnieuw voor me. Deskundigen hadden de as in het voorwiel op een andere plaats gemonteerd waardoor de fiets hobbelend vooruit kwam. Een andere fiets leek constant achteruit te trappen maar kwam toch vooruit. Snapte er niks van. Een meneer met een hele lange neus, gemaakt van papier-maché zat op een van de fietsen en de mensen om me heen noemden hem President De Gool (de Gaulle was president van Frankrijk van 1959 tot 1969). Twee andere voor mij onbekende figuren zaten op een soort tandem met de ruggen naar elkaar toe. Tussen hen in zat een ijzeren hek met prikkeldraad dat de mensen achter ons ‘Het IJzeren Gordijn’ noemden.
1960
Een jaar later kreeg ik een feestneus en een papieren hoedje op en ging ik samen met straatvriendje Josje naar de optocht in ons dorp. Ook hij had een feestneus die echter niet, zoals de mijne, met een elastiekje op zijn plaats bleef maar door een bril zonder glazen. Ook Josje had een merkwaardig papieren mutsje op. Het muziekkorps kwam er aan, de trommels roffelden er op los en de blazers liepen er keurig in het gelid achteraan. Opeens dacht ik aan die grote politiepoppen in de optocht van vorig jaar. Josje en ik sloten achter de laatste muziekmannen aan. We liepen opeens met de optocht mee. Wij voelden ons immers ook verkleed met onze neuzen en mutsen. Netjes in de maat paradeerden wij achter de twee mannen die op de grote tuba de zware noten de lucht inbliezen. Af en toe draaiden we net als de politiepoppen even rond en knikten we naar de toeschouwers langs de weg. We voelden ons echte carnavalshelden. Hoe ver we mee hebben gelopen, kan ik me niet meer herinneren maar de zere voeten voelden we niet meer toen ook wij een rood-wit herdenkingsvaantje kregen. Hadden we prijs? Dat antwoord heb ik nooit gekregen maar het was een middag om nooit te vergeten.
