Onmiddellijk na hun aankomst in Ravenstein schrijven de twee geliefden een verzoekschrift naar de Keurvorst. Daarin vragen zij om zijn bescherming en ze schrijven, dat zij door de tegenwerking van de stiefvader van het meisje zich genoodzaakt zien, de weg te kiezen ’die jongelieden in een dergelijk geval plegen in te slaan”, namelijk om ervandoor te gaan. Zij verklaren, zich aan zijn rechtspraak te onderwerpen en ze willen niets liever dan dat alle vermeende beletselen voor hun huwelijk onpartijdig worden beoordeeld en dat daarna hun huwelijk door een predikant wordt ingezegend.
De ouders wenden zich eveneens tot de Ravensteinse landsheer. In een rekest, mede uit naam van zijn vrouw opgesteld, geeft Vijvers op ondubbelzinnige wijze uiting aan zijn grieven tegen de patriot Harten, ’een verlopen deserteur’, die uit dank voor de hem verleende gastvrijheid zijn dochter heeft ontvoerd. Het verleide meisje zal, als de verleider er niet bij is, daar twijfelt Vijvers niet aan, tot betere gedachten komen. Hij verzoekt daarom, het paar van elkaar te scheiden en zijn dochter tijdelijk in een klooster onder te brengen. Daar kan men haar met haar begane misstap confronteren, maar onder geen voorwaarde mag men Harten bij haar toelaten. Aan dit verzoek wordt voldaan. Op bevel van de Keurvorst laat de drost van Ravenstein het meisje overbrengen naar het klooster Soeterbeek onder Deursen.
Ewig geliefde Jansje
De overkomst van de ouders versnelt het einde van het avontuur. Haar moeder, die bij haar wordt toegelaten, probeert haar tot rede te brengen, wat een heftige scène teweeg brengt. Harten had haar op het hart gedrukt, standvastig te zijn en niet te luisteren naar de praatjes van haar ouders. Zij weet immers, wat er met haar gaat gebeuren wanneer zij haar terug hebben.
Uit vrees dat haar ouders gaan proberen om haar met list of geweld uit het klooster te krijgen, zwerft Harten de hele nacht om het klooster heen. Met het uur wordt zijn onrust groter. Brief op brief stuurt hij naar haar om haar te bezweren hem trouw te blijven. Enkele uren voordat de drost en de griffier haar een verhoor komen afnemen, schrijft hij haar nog het volgende briefje: “Ewig geliefde Jansje! Hedenmiddag om 2 uur koomt de heer drost en mejuffr. van Duren haar vader om UEde te horen, of UEde mij wild hebben tot een man of niet. Hier leijd de geheele zaak aan. Zoo je mij getrouw blijft, is de zaak van de week gedaan, en je word mijn vrouw. Zoo niet, ben wij beiden voor ewig ongelukkig. Adjeu, adjeu, Janette!
Vaar Ewig wel
UEd. minnaar Manes”.
Ritmeester bij de huzaren
Uiteindelijk laat ze, onder druk, haar Manus op het beslissende ogenblik in de steek. Hoeveel tranen het haar misschien ook kost, haar beslissing is ongetwijfeld de verstandigste van haar leven. Op 25 oktober 1789 trouwt zij op 16-jarige leeftijd met Egbert Hendrik Siborgh, een jonge luitenant ter zee, die in staat is haar een behoorlijk bestaan te bieden. Egbert wordt later ontvanger van de in- en uitgaande rechten en hij komt te overlijden op 56-jarige leeftijd te Coevorden. De weduwe van Siborgh trouwt later met Dirk Schnido en zij komt op 10 maart 1855 te Coevorden te overlijden.
Na deze gebeurtenissen ontzeggen Vijvers en zijn vrouw aan Harten uiteraard de verdere toegang tot hun huis, en komt hij op straat te staan.
In archiefstukken vinden wij verdere bijzonderheden over zijn leven. Hij gaat in Haarlem wonen en regelmatig bezoekt hij de herberg ’De Dorstige Kuil’ op de weg naar Leiden. Daar komen veel patriotten samen, die serieuze plannen maken voor een revolutie. Er wordt een legioen van 2.500 man kurassiers, huzaren, jagers en infanterie gevormd. Bij de inval van de Franse troepen in Nederland zal dat een omwenteling veroorzaken, speciaal in Amsterdam, Rotterdam, Haarlem en Den Haag. Harten wordt ritmeester bij de huzaren. Uniformen, 300 karabijnen, 300 sabels en 300 koppels zijn besteld en er worden paarden gekocht.
Met de formatie van het op te richten ruiterkorps wordt Harten belast. Zijn nieuwe werkkring is voor hem een goede aanleiding te proberen de betrekkingen met de familieVijvers weer aan te knopen. Naar de broer van het meisje, waarmee hij enkele maanden tevoren er vandoor is gegaan schrijft hij, net alsof er niets is gebeurd, een brief. Hij biedt hem een plaats aan als luitenant bij een compagnie huzaren. Hun uniform bestaat uit ’rode pelse met swart sabel, swarte fluweele dolmans met silver, en geele broeken met silver’. Vol trots schrijft hij hem dat hij zelf als ’ritmeester effectief’ bij de compagnie is geplaatst. Toevallig krijgt Vijvers, de stiefvader van de jongen, dit schrijven te zien.
Na zijn minder goede ervaringen met Harten heeft Vijvers van de patriotten voorgoed zijn bekomst. Hij besluit de zaak verder te onderzoeken en hij ontdekt dat er inderdaad heimelijk ruiterij wordt geworven. Hij meldt daarop, onder overlegging van de brief, aan Gecommitteerde Raden uit de Staten van Holland wat er aan de hand is. De zaak wordt onderzocht en tegen het vallen van de avond doen de autoriteiten een inval in de herberg ’De Dorstige Kuil’.
Bert Meijs
bmeijs@planet.nl
