Henk Poelakker, woonachtig in Heusden, vond na het overlijden van zijn vader (1920-2011) kopieën van processen-verbaal uit lang vervlogen tijden toen ‘Vader Bromsnor’ werkzaam was bij de Rijkspolitie. Die vondst werd een inspiratiebron om verhalen te schrijven.
Helmut woont min of meer zelfstandig in een rijtjeshuis. Het is 1966, Helmut is dan 25 jaar. Hij wordt verdacht van twee diefstallen: een fototoestel en een transistorradio. Bromsnor krijgt van zijn baas de opdracht om Helmut aan de tand te voelen. Niet veel later belt hij aan op nummer 22. Geen man thuis. Even een blik door het voorraam. Hè, wat is dat? Brom ziet een gasstel in de kamer staan, aangesloten op het gasnet middels een gele tuinslang die door een gat in de muur gaat van de keuken naar de kamer. Een gevaarlijke situatie, zo beoordeelt onze veldwachter. Hij geeft dit onmiddellijk door aan de gemeente en brandweer. Even aanbellen bij de buren die verklaren dat Helmut rond 10.00 uur met zijn brommertje is vertrokken.
Ja ik ben de dief
Die middag meldt Helmut zich aan het bureau. “Ik hoorde van de buurman dat jullie mij zoeken, nou hier ben ik dan.” Bromsnor kent Helmut, mede omdat beiden in dezelfde straat wonen. “Luister Helmut, er zijn twee winkeliers die vermoeden dat jij iets bij hen gestolen hebt. Het gaat om een fototoestel merk Vöigtländer en een transistorradio merk Hitachi. Klopt het dat jij deze twee weggenomen hebt?” Het antwoord van Helmut is even kort als helder: “Ja, ik ben de dief. Het fototoestel stond in de etalage en toen ik lang moest wachten voordat de winkelier H. naar beneden kwam, heb ik het toestel gepakt en in mijn tas gestopt. Het kleine radiootje stond bij winkelier F. op de toonbank. Ik kocht daar een batterijtje dat de winkelier ergens ‘achter’ moest gaan halen. Snel pikte ik de transistor en stopte deze in mijn broekzak.”
Radio voor 50 cent
Bromsnor weet inmiddels van de winkeliers wat de waarde is van het gestolene. Het fototoestel heeft een winkelwaarde van 350 gulden en de radio kost 65 gulden. “Wat heb je met de spullen gedaan”, wil Bromsnor weten. Helmut: “Het fototoestel heb ik voor 50 gulden aangeboden aan een bekende die een tegenbod deed van 25 gulden. Oké, heb ik toen gezegd. De radio heb ik aan een oud-ijzer-boer aangeboden voor 2 gulden. Uiteindelijk heb ik er 50 cent voor gekregen.”
Kruisje
Tijd om de kopers op te sporen. Een paar dagen later volgt er een gesprek met eerst de koper van het fototoestel en later met de oud-ijzer-boer. Beiden zeggen geen idee te hebben wat de waarde is maar dat ze wel begrepen dat Helmut niet de snuggerste is van het dorp. Onafhankelijk van elkaar geven ze graag het fototoestel en de kleine radio terug. De oud-ijzer-boer ondertekent de verklaring met een kruisje (ik ben de schrijfkunst niet zo machtig).
Taart
“Helmut wat heb je gedaan? Voor een paar centen ben je een dief en zullen we je hier in de cel plaatsen. Je zult voorgeleid worden aan de Officier van Justitie die de straf zal bepalen.” Helmut: “Heb je al gehoord hoe goed ik kan zingen? Iedere avond wordt een plaatje van mij gedraaid op Radio Luxemburg.” Bromsnor kent de fantasiepraatjes van deze verwarde man die geholpen moet worden. De twee winkeliers zijn blij. De fotograaf laat de volgende dag een taart op het politiebureau bezorgen. De Grote Baas fronst zijn wenkbrauwen....kan hij dit aannemen? Is dit een vorm van omkoping....of is dit de reactie van een gelukkig man? De taart laten de agenten zich goed smaken. Of Helmut in de cel ook een stukje taart krijgt vermeldt het procesverbaal niet.
