De Watersnoodramp van 1953 werd onlangs in abdij Mariënkroon in Nieuwkuijk opnieuw beleefd. Op initiatief van Ria van der Linde-Pollemans (1943) werden herinneringen over de warme opvang door de paters opgehaald. De stichting Abdij Mariënkroon (SAM) zorgde gedreven opnieuw voor een hartelijk welkom.
Door Hans van den Eeden
Het is goed dat verschillende generaties kennis maken met de familiegeschiedenis. Dat wordt gevoed en is emotioneel voelbaar om dit op locatie met ‘lotgenoten’, kinderen en kleinkinderen te delen. Uit heel Nederland kwamen nazaten van de familie Pollemans daartoe naar Nieuwkuijk. Snel werd duidelijk dat de betrokkenheid met Mariënkroon in de familiegenen zit.
Het is bekend: de Watersnoodramp van 1953 is de grootste natuurramp in de Nederlandse geschiedenis. Een zware storm in combinatie met springtij en springvloed veroorzaakte veel ellende. De dijken, die doorbraken, zorgden voor overlast en rampzalige gevolgen. De watersnood kostte 1.836 mensen het leven. Voor Ria van der Linde-Pollemans is deze ramp -die ze met haar familie in Oude Tonge beleefde - nog diep in haar geheugen gegrift. “Ik kom uit een katholiek gezin van tien kinderen. Als negenjarig meisje heb ik deze ramp bewust meegemaakt.” Omdat haar broer Reinier tijdens de ramp verdronk heeft ze het intense verdriet nooit kunnen loslaten. Dat geldt ook voor het verblijf in 1953 in Mariënkroon.
Veemarkthallen
In de ochtenduren waren er warme welkomstwoorden van Peter van Drunen, voorzitter van de SAM. Het was voor hem bijzonder, als hoeder van het religieus erfgoed van Mariënkroon, om de ongeveer dertig gasten te ontvangen. Tijdens de dag zou bestuurslid Jo Staps tijdens rondleidingen in het complex en het museum dit bevestigen. Aanleiding voor het bezoek waren de ervaringen van Ria, die ze met het thema ‘In de nacht kwam het water’ optekende. Daarin beschrijft ze indringend hoe het gezin Pollemans op 4 februari 1953 vanuit Oude Tonge gedwongen werd naar de Veemarkthallen in Den Bosch te vertrekken. In verband met de onduidelijkheid over broer Reinier was er veel onzekerheid. “Met tranen en gevoel voor moedeloosheid raapten we onze spullen bij elkaar. Bij de Veemarkthallen leek het wel op een begrafenis.”
Stamppot met rookworst
Daar werden de gezinnen opgevangen en konden de evacuees kleding en andere spullen uitzoeken. Door de vele vrijwilligers was er voor stamppot met rookworst gezorgd. In verband met de onzekerheid over Reinier werd er gebeden en intens gehuild. “Er kwam meteen een mevrouw aanlopen die mijn zusje Nellie tegen zich aandrukte. Ze zei: huil maar even uit. Nellie liet op haar beurt deze Bossche vrouw niet meer los.” Via de Opvangcommissie maakte ze kennis met een pater Cisterciënzer van Mariënkroon. Hij vertelde, dat ze de gehele bovenverdieping van de refter voor het gezin hadden leeggemaakt. Het gezin werd met een autobus naar Nieuwkuijk gebracht. “Daar stonden allemaal mannen met zwarte jurken als welkom naar ons te zwaaien. Het gezin werd door de burgemeester en de prior hartelijk welkom geheten. Er werd koffie gehaald en de kinderen kregen chocolademelk met slagroom en een lekkere koek. Ria weet nog goed dat de burgemeester veel aandacht schonk aan het verdriet en de angst. “Bij de maaltijd was er ter gelegenheid van Nico’s verjaardag een feestelijk toetje. Uit volle borst werd er ‘Lang zal hij leven’ gezongen.
Keukenpaters
De ‘keukenpaters’ stonden in de deuropening mee te lachen en te klappen. En zo kregen de emoties vrij baan. Ria herinnert zich nog goed, dat je als kind thuis in bad ‘in de zinken teil’ ging. Het was een luxe, dat er op de verdieping van de refter een douche was. Het gezin kon beschikken over een eigen keuken en er waren genoeg slaapkamers. ”We waren erg blij met dit plekje voor onszelf.”
Omdat het verblijf lang kon duren zorgden de paters ervoor dat de kinderen in Vlijmen naar de ‘Nonnenschool’ konden. Voordat ze naar huis naar Oude Tonge gingen zouden ze ongeveer vier maanden deze school bezoeken. Door de paters werd de eerste dagen, in verband met het wennen, gekookt. Omdat de abdij zelfvoorzienend was, met boerderij en moestuin, kon men daarna zelf de handen uit de mouwen steken. Tijdens het recente bezoek bezocht Ria heel herkenbaar de bovenste verdieping van de refter. “Wat zijn we blij, dat we op deze wijze op Mariënkroon zijn ontvangen. Een bijzondere dag om nooit te vergeten. Dit met veel dank voor de aandacht die stichting Abdij Mariënkroon aan ons heeft besteed.”
