In tegenstelling tot veel andere gemeenten uit die tijd zijn de verslagen over Nieuwkuijk opvallend uitvoerig. Ze schetsen een scherp beeld van het sociale leven, het lokale bestuur en de morele opvattingen rond de eeuwwisseling. Twee bezoeken, in 1898 en 1902, laten zien hoe een kleine gemeenschap functioneerde, met haar sterke onderlinge banden, maar ook met haar spanningen en eigenaardigheden.
Door Bert Meijs
Een feestelijk onthaal
Toen de commissaris op 20 augustus 1898 Nieuwkuijk bezocht, werd hij met alle égards ontvangen. Op de grens met Drunen stond een erewacht van vijftien ruiters klaar om hem naar het raadhuis te begeleiden, waar de harmonie van Nieuwkuijk opgesteld stond. Een jonge dame, Clairtje de la Court, overhandigde hem een ruiker bloemen. Het was een ontvangst die paste bij een dorp dat zijn gasten graag liet zien hoe hecht en georganiseerd het was.
Tijdens de audiëntie verschenen meerdere leden van de invloedrijke familie De la Court, samen met het hoofd van de school, de heer Driessen. Dat zij gezamenlijk verschenen, maakte een rustig gesprek met het schoolhoofd lastig. Ook de pastoor meldde zich: een muzikaal man, sinds vijf jaar in Nieuwkuijk werkzaam, die vertelde over zijn verzoek aan de gemeenteraad om een subsidie van 10.000 gulden voor een liefdehuis. Een besluit liet al geruime tijd op zich wachten.
Na de officiële gesprekken volgde muziek, verzorgd door de liedertafel en de harmonie, beide onder bescherming van leden van de familie De la Court. Aansluitend was er een gezamenlijk ontbijt met de gemeenteraad, zorgvuldig voorbereid door mevrouw De la Court. De gastvrijheid strekte zich zelfs uit tot Onsenoort, waar men na een stoffige rit bijzonder op prijs stelde dat er waswater klaarstond op de logeerkamer.
Bestuur en persoonlijke verhoudingen
Ondanks de warme ontvangst was niet alles rooskleurig. De toen 85-jarige burgemeester Van der Aa, die sinds 1866 aan het hoofd van de gemeente had gestaan, werd als ‘versleten’ beschreven. Zijn geheugen liet hem in de steek; zelfs over zijn eigen loopbaan als secretaris kon hij geen duidelijkheid meer geven. Toch viel er weinig aan te merken op de administraties van secretaris en ontvanger, al werden later enkele aanbevelingen gedaan om deze te moderniseren.
Bij een volgend bezoek, op 19 juni 1902, kwamen de bestuurlijke spanningen scherper naar voren. Raadsverkiezingen bleken inmiddels felle strijdtonelen te zijn, vooral in de herbergen, waar bier, jenever en sigaren rijkelijk vloeiden. De kastelein Loeff speelde hierin een centrale rol. Dankzij zijn brede netwerk, hij dreef ook een groothandel in fruit, wist hij een raadszetel te bemachtigen en later zelfs een vriend, Van den Besselaar, in de raad te krijgen.
Na het overlijden van burgemeester Van der Aa werd J. van der Brand gekozen. Opvallend genoeg won hij zonder gebruik te maken van drank, waarmee hij de ‘partij Loeff’ wist te verslaan. Toch bleef de rol van alcohol in de lokale politiek een terugkerend thema.
De Dorpsstraat in Nieuwkuijk rond 1900.
Moraal, opvoeding en armoede
Nieuwkuijk kende rond 1900 een streng moreel klimaat. Onwettige geboorten kwamen officieel niet voor; gedwongen huwelijken waren zeldzaam en werden als een grote schande gezien. Stellen die in zo’n situatie trouwden, deden dat in stilte: zonder bruiloft, met een sobere ceremonie op het raadhuis en een vroege mis in de kerk. Daarna bleven zij uit het zicht; zelfs een wandeling door het dorp werd vermeden.
De commissie voor schoolverzuim had in 1901 nog volop werk, maar hoefde in 1902 niet bijeen te komen: aanmaningen waren niet nodig. Wel werd gevreesd dat een nieuwe school gebouwd moest worden, mede doordat een deel van de meisjes onderwijs volgde in Drunen of Vlijmen.
Armoede was er weinig. Het burgerlijk armbestuur beschikte over vaste inkomsten van ongeveer 1.200 gulden en sloot 1901 zelfs af met een overschot van 800 gulden. In de wintermaanden sprong bovendien de Vincentiusvereniging bij voor mensen die zich schaamden om officiële steun te vragen.
Land, water en toekomstzorgen
De omgang met land en water bleef een punt van zorg. De dijkdoorbraak van 28 december 1880 had volgens de verslagen voorkomen kunnen worden: al tweeënhalve dag stroomde er water door de dijk voordat deze bezweek. Niemand, zelfs de ingenieur van Waterstaat niet, greep in. De gevolgen waren langdurig; de verzande landerijen herstelden nooit volledig. Bij de aanleg van de spoorlijn ’s-Hertogenbosch–Moerdijk werd een deel van het zand gelukkig weer afgevoerd.
De gemeentelijke eigendommen brachten steeds minder op. In 1901 koos men daarom voor een nieuwe aanpak: de slechtste weilanden werden in kleine percelen voor acht jaar verhuurd. De huurders mochten ermee doen wat ze wilden, wat leidde tot beter onderhoud en hogere opbrengsten.
Tot slot was er nog een persoonlijke zorg van burgemeester Van den Broek. Hij vreesde een conflict met zijn zwager, raadslid Mostermans, die vanwege die familieband niet herbenoemd kon worden als zetter voor de directe belastingen. Het typeert hoe in Nieuwkuijk rond 1900 bestuur, familie en gemeenschap onlosmakelijk met elkaar verweven waren.
