Door Bert Meijs

Bestuur, boeren en pastoors

In de zomer van 1915 bracht ik opnieuw een bezoek aan de gemeente Elshout. Het zou waarschijnlijk de laatste keer zijn dat ik burgemeester Van Breugel ontmoette. Zijn gezondheid liet hem ernstig in de steek. Hij stond onder behandeling van dokter Boekelman in Utrecht en was al tweemaal aan zijn slokdarm geopereerd. Een nieuwe opname stond hem nog te wachten.

Wildschade en landbouwzorgen

In de gemeente bestond geen enkel recht op voorpoting, zo werd mij meegedeeld. Wel hadden boeren te kampen met wildschade. Vooral fazanten en eenden richtten schade aan in de rogge en haver, met name wanneer het gemaaide graan door slecht weer langer in schoven op het land bleef staan. Kon de oogst snel worden binnengehaald, dan bleef de schade beperkt. In de buurt van Heusden veroorzaakten ook konijnen problemen.

De grienden, aangelegd op arm weiland, bleken weinig levensvatbaar en waren vrijwel uitgeput. Hoop was er nog gevestigd op de zogenoemde 'canada’s' die in het griendhout waren gepoot en het naar omstandigheden redelijk deden.

Partijschap en kerkelijke spanningen

Opvallend was het sterke partijschap binnen de gemeente. Een duidelijke oorzaak was niet aan te wijzen; men leek elkaar eenvoudigweg slecht te verdragen. Veel klachten betroffen pastoor Spierings, een witheer uit Heeswijk, die al 25 jaar in de gemeente stond. Volgens velen had hij in die tijd een aanzienlijk vermogen aan onroerend goed op naam van de kerk weten te brengen. Zijn levensstijl, met veel bezoek, diners en feesten, stond in schril contrast met die van de pastoor in Haarsteeg, die juist bekendstond om zijn soberheid en toewijding aan de gemeenschap.

De burgemeester vertelde mij over een nalatenschap van circa 80.000 gulden die aan de pastoor was vermaakt, en over zijn vrees dat ook andere vermogende inwoners onder invloed van de geestelijke hun familie zouden passeren. Zijn waarschuwingen, zo vreesde hij zelf, zouden weinig effect sorteren.

Bestuurlijke wanorde in Oudheusden

In augustus 1919 bezocht ik Oudheusden. Daar sprak ik burgemeester Van Liempt streng toe over de slordige staat van de gemeentelijke administratie. De begroting over 1919 was pas dat jaar bij het Gouvernement binnengekomen, een onaanvaardbare vertraging. Ziekte door de Spaanse griep kon daarvoor geen afdoende verklaring zijn.

Ook de exploitatie van gemeentelijke bezittingen was al jaren niet meer bijgehouden. Het salaris van de veldwachter, 750 gulden plus vrij wonen, was volgens mij aan verbetering toe. Overigens was de werkgelegenheid redelijk: op twaalf schoenmakersknechten na vonden alle inwoners werk binnen de gemeente.

Economie en dagelijks leven

De kleine boeren deden het goed, met gemiddeld anderhalve hectare eigen grond. Tuinderij en fruitteelt namen sterk toe, mede dankzij de oprichting van een veiling in Drunen. De meeste arbeiders woonden in hun eigen huis, vaak wel belast met een hypotheek. De boterfabriek in Elshout was opgeheven; de melk ging voortaan naar de coöperatieve fabriek in Drunen.

Het drinkwater was in Elshout van goede kwaliteit, maar in Oudheusden duidelijk minder. Wildschade bleef ook hier een punt van zorg, met naar schatting honderd gulden schade per jaar.

Verbeteringen en nieuwe spanningen

Bij mijn bezoek in juni 1923 kon ik vaststellen dat de administratie in Oudheusden eindelijk op orde was. De achterstand was vrijwel ingelopen en de burgemeester maakte een betere indruk dan voorheen. Volgens kapelaan Willems stond hij bovendien goed aangeschreven bij de bevolking.

De wethouders daarentegen, eenvoudige boeren van afkomst, stonden bekend als zuinig tot het gierige af. Subsidies voor wijkverpleging, harmonie of andere maatschappelijke initiatieven maakten weinig kans in de raad. Intussen was er juist veel waardering voor de zusters van de Orde van Maastricht, die zich bezighielden met ziekenverpleging en onderwijs. Hun werk werd breed gedragen, al drukte de hoge contributie van de vereniging zwaar op de leden.

Vooruitgang ondanks alles

Ondanks bestuurlijke spanningen en kerkelijke twisten ging de economische ontwikkeling door. De warmoezerij en fruitteelt verdrievoudigden in zeven jaar tijd. De werkloosheid bleef laag en woningnood was er nauwelijks; met en zonder rijkspremie werden nieuwe huizen gebouwd.

Zo boden Elshout en Oudheusden in deze jaren een beeld van dorpen in verandering: met vooruitgang in landbouw en nijverheid, maar ook met hardnekkige tegenstellingen in bestuur en gemeenschap.