Door Bert Meijs

1911 – Onrust en verandering

Op 3 april 1911 bezocht ik opnieuw de gemeente Drunen. Volgens deken Selten was de verhouding tussen burgemeester en notaris Canters inmiddels weer hersteld. Toch heerste er onrust in het dorp. Een zekere Van de Wiel, een geboren Drunenaar die in Amsterdam fortuin had gemaakt met een schoenwinkel, was teruggekeerd en had zich in het dorp een villa laten bouwen. Deze Van de Wiel voerde fel oppositie tegen het gemeentebestuur en probeerde via bier en jenever invloed te krijgen bij de raadsverkiezingen. Ondanks zijn inspanningen wist hij geen raadszetel te bemachtigen, maar men vreesde nog veel last van hem te zullen krijgen.

In de gemeente werd intussen gewerkt aan de ontginning van de woeste gronden in de Honderd Morgen. Ik adviseerde een kaart te maken en een uitgebreide beschrijving van de gronden aan te leggen. Voor de zomer van 1911 sprak ik de bereidheid uit om opnieuw te komen kijken, mits de omstandigheden dat toelieten.

De vakcursus voor schoenmakers functioneerde volgens burgemeester en wethouders niet naar wens. Er werden nog altijd handwerkschoenmakers opgeleid, terwijl dat ambacht snel verdween door de opkomst van de machinale schoenfabrieken. De nieuwe fabriek van P. Elshout, die met 25 man werkte, bood hoop op een toekomst voor de lokale werkgelegenheid. Dankzij de sterke vakorganisatie was de gedwongen winkelnering, waarbij arbeiders verplicht bij bepaalde winkels moesten kopen, vrijwel verdwenen.

1916 – Een bloeiende schoenindustrie

Op 23 mei 1916 bracht ik per auto opnieuw een bezoek aan Drunen. De schoenindustrie maakte een bijzonder goede tijd door: de gemiddelde schoenmaker verdiende ruim ƒ 10 per week. De helft van hen werkte nog met de hand, maar inmiddels waren er twee machinale fabrieken actief en een derde in voorbereiding.

De vakschool werd druk bezocht, al klaagde de burgemeester dat de opleiding weinig nut had voor wie later op een fabriek terechtkwam. De gedwongen winkelnering was nog niet volledig verdwenen; met name in IJpelaar bestond ze nog.

De gemeente beschikte nog steeds niet over een duidelijke beschrijving of kaart van de eigen bezittingen, hoewel daar wel geld voor was vrijgemaakt. De ontginning van de Honderd Bunders verliep uitstekend: een derde werd gehooid, de rest diende als weidegrond voor 150 runderen en 5 paarden. De opbrengst bedroeg ƒ 3.112,-, en de Zeeg leverde ƒ 90 per hectare op. De Boerenleenbank draaide inmiddels een jaarlijkse omzet van drie ton.

Daarnaast stond de bouw van een nieuw raadhuis op stapel en kreeg het armbestuur jaarlijks ƒ 1.500 subsidie.

Torenstraat ca 1900. (foto: Salha)

Torenstraat ca 1900. (foto: Salha)

1920 – Groei en nieuwe uitdagingen

Op 26 augustus 1920 bezocht ik Drunen opnieuw. De raadsverkiezingen van 1919 hadden twee nieuwe raadsleden en wethouders opgeleverd. De sfeer in de raad was goed, en de gemeente kende vooruitgang. Er waren inmiddels 40 arbeiderswoningen gebouwd met huurprijzen tussen ƒ 2,50 en ƒ 3,- per week. De gemeente legde daar ƒ 35,- per woning op toe.

Toch waren er ook zorgen. Op de secretarie werkte de 16-jarige zoon van de secretaris als klerk – iets wat ik afkeurde. Ook was het gemeenteverslag van 1919 slordig opgesteld en bevatte het nauwelijks gegevens over eigendommen of industrie.

De doorbraak bij Nieuwkuijk had duidelijk gemaakt dat de keerdam in de Baardwijkse Overlaat te laag was. Het Rijk werkte aan versterking en verhoging van de dam. De vakschool voor schoenmakers werd vernieuwd en ingericht voor machinaal onderwijs, zodra elektriciteit beschikbaar kwam.

De gemeentegrond bracht inmiddels ƒ 18.000,- op. De landbouw ging goed, en ook de groenten- en fruitveiling bloeide, een ware uitkomst voor de streek. De aanleg van het elektriciteitsnet was aanbesteed voor ƒ 35.000,- en zou binnen drie maanden gereed zijn.

1923 – Een nieuwe burgemeester

Op 1 augustus 1923 bezocht ik Drunen voor het eerst onder leiding van burgemeester Loeff. Mijn indruk was bijzonder positief. Hij was goed ingewerkt, had overzicht over alle gemeentelijke zaken en stond op uitstekende voet met de secretaris. Op de secretarie was een nieuw registratiesysteem ingevoerd, waardoor oude stukken voortaan snel te vinden waren. Zowel zijn voorganger Van Hulten als anderen spraken vol lof over zijn zuinig en bekwaam bestuur.

De exploitatie van de 40 arbeiderswoningen leverde in 1922 nog een tekort van ƒ 2.400,- op, waarvan ƒ 600,- voor rekening van de gemeente kwam. Er werd onderzocht of ook landarbeiderswoningen gebouwd konden worden; daarvoor had de gemeente een terrein van 40 hectare beschikbaar.

De gemeenteraad bestond uit elf leden, onder wie vijf boeren en zes burgers. De landerijen waren volgens velen te goedkoop verhuurd, wat tot wrevel leidde. Een aparte jongensschool ontbrak nog; een oude dame had beloofd haar woning met tuin aan de kerk te schenken voor de bouw van een bijzondere school, maar deken Selten wilde wachten tot haar overlijden voordat hij de plannen doorzette. Ondertussen werd aan de slechte staat van de openbare school weinig gedaan.

Het elektriciteitsbedrijf draaide inmiddels goed: na verliezen van ƒ 1.170,- (1921) en ƒ 360,- (1922) zou het in 1923 quitte draaien. Er kwamen vijftig nieuwe aansluitingen bij, tegen tarieven van ƒ 0,50 voor licht en ƒ 0,25 voor kracht.

Toch waren er ook donkere wolken. De waterstand in het kanaal Den Bosch–Drongelen was te laag, waardoor landerijen tot een derde in waarde daalden. De industrie kampte met grote werkloosheid: nog slechts 35 arbeiders werkten bij de gemeente aan de ontginning van de laatste heidegronden. De werkverschaffing kon nog hoogstens twee jaar voortduren. In 1922 kostte dit de gemeente ƒ 792,23.

De schoenindustrie, met acht fabrieken, had zware schulden bij de Hanzebank ter waarde van zo’n ƒ 200.000,-. De kleine handwerkschoenmakers deden het echter beter; zij leverden maatwerk voor de betere winkels in de grote steden. De vakschool kende ongeveer 50 leerlingen.

De tuinbouw kende dat jaar een moeilijk seizoen: de prijzen op de veiling waren uitzonderlijk laag.

Slotbeschouwing

Tussen 1911 en 1923 maakte Drunen een periode van grote veranderingen door. De gemeente evolueerde van een agrarische gemeenschap met kleine ambachtelijke schoenmakers naar een dorp in ontwikkeling, met groeiende industrie, infrastructuur en woningbouw. Ondanks economische tegenslagen en bestuurlijke uitdagingen bleef de gemeenschap veerkrachtig en gericht op vooruitgang.