Door Bert Meijs
Bombardement op Heusden
Op 5 januari begon het garnizoen in Heusden zijn munitie te verspelen. Het schoot onafgebroken met zwaar geschut, zo hevig dat alles hier dreunde. Sommige kogels vlogen zelfs over het ijs tot aan Elshout. Vanuit mijn vensters zag ik het vuur en de rook van het kanonvuur. Al snel brandden twee huizen in Oudheusden volledig af, evenals de herberg bij de Wijksepoort.
De Fransen beantwoordden het bombardement. Ze stuurden over het ijs enkele acht- en twaalfponders — mortieren en kanonnen — via Berne, Oudheusden en Heesbeen, en beschoten de stad hevig. Toch richtten ze geen schade aan aan de vesting. Vanaf de molen in Elshout zag ik hun mortieren en houwitsers duidelijk in Oudheusden neerkomen.
Poortgebouw Oudheusden.
Capitulatiedagen
De boeren uit Vlijmen, Nieuwkuijk, Drunen en andere dorpen sloegen op de vlucht, uit angst om voor de Fransen te moeten werken aan de batterijen. Dertig boeren die op zondag in Vlijmen naar de kerk gingen, werden met geweld meegenomen.
Na enkele dagen viel het 'onoverwinnelijke' Heusden — ondanks zijn ondergelopen vestingwerken en dappere officieren — toch in Franse handen. De eerste twee capitulatievoorstellen van commandant Liesvelt waren zó vernederend dat het garnizoen weigerde te tekenen. Pas het derde voorstel werd aanvaard.
De Fransen hadden ladders naar de stad gebracht, maar elke nacht werd het ijs rondom de vesting gebroken. Daardoor kwamen ze niet verder dan op de eerste dag. Loopgraven konden ze niet graven op het ijs, en een bres in de aarden wallen schieten lukte niet: ze lagen te ver buiten bereik. In de stad was er voldoende voorraad. De Fransen hadden de stad kunnen verwoesten, maar veroveren konden ze haar niet.
Verwoesting
Toen ik hoorde dat er gecapituleerd was, ging ik naar de stad. Bij het eerste huis in Oudheusden vond ik een twaalfpondskogel met een afgerukte schouw en nam die mee naar huis. Het hout en de bomen waren al zichtbaar beschadigd.
Ik liep over het ijs naar Oudheusden — dat bijna onherkenbaar was. Alle huizen waren afgebrand of doorboord met kogels. Het voorhuis van het kasteel leek op een zeef. Het kasteel zelf, de heggen, bomen, schuren, alles was doorzeefd. De kerk was bouwvallig. De grond lag vol inslagen van houwitsers.
Achter de kerk hadden de Fransen twee kleine openingen gemaakt in de muur van het kerkhof. Daarin lagen een bomketel en een houwitser. Daarmee vuurden ze over een schuur in de stad, onzichtbaar voor het garnizoen. Naast de kerk stond een achtponder kanon opgesteld; zijn kogels suisden rakelings langs de zuidmuur van de kerk. Daarachter lagen de kanonniers, met voor de kerk enkele palissaden, al flink beschadigd. Tegen een uitval van de stad waren ze nauwelijks bestand.
We liepen verder over de stadsgracht naar Heesbeen. Ook daar waren de huizen zwaar beschadigd. De batterij van de Fransen stond er zelfs nog slechter voor. Die bestond uit twee openingen in het dijkje van Heesbeen naar de Wijksepoort, volledig blootgesteld aan het kruisvuur van de batterijen bij de poort.
Toen hoorden we een schot, gevolgd door muziek uit de stad. Tot onze verbazing zagen we het Hollandse garnizoen vertrekken. Ongeveer tweehonderd Fransen langs de Wijkse Dijk verwelkomden hen en begeleidden hen naar Gorcum. De bezetting bestond uit circa twaalfhonderd man: ontmoedigde Duitsers, een nieuw geworven korps landlieden, een bataljon van Plettenberg, kanonniers en huzaren. Wij keerden huiswaarts met dit nieuws, want niemand werd de stad nog binnen gelaten.
Onverwachte bezoekers
In de nacht van 7 januari, rond één uur, verscheen onverwacht een compagnie Franse scherpschutters in het dorp. Het duurde even voordat hun inkwartieringspapieren geregeld waren. Ondertussen sloegen ze deuren in en trommelden wild op alle vensters. Drunen leek te vergaan. Niemand wist wat er gebeurde. Op mijn erf verzamelde zich een grote groep die op de poort sloeg en stampte. Maar ik hield alles gesloten. Zelfs als ze de poort geforceerd hadden, waren ze nog niet binnen geweest. Dan had ik de commissaris geroepen voor bijstand. Ze bleven slechts één dag, maar het waren lastige kerels — ze roofden als raven.
Einde van de strijd
Eindelijk gaven Gorcum, Dordrecht, heel Holland en op 4 februari ook Zeeland zich over. Daarmee viel de hele republiek. De enorme bedragen die in een jaar tijd waren uitgegeven aan verborgen batterijen in alle provincies, bleken vergeefs.
Voor ons was dat een zegen. Anders waren we gestorven van de honger als het leger hier was gebleven. De magazijnen, het commissariaat en het hele gevolg trokken op 22 januari naar Holland. Daar zouden ze de oorlog ook eens leren kennen, na zes weken bij ons in de ijskoude te zijn ingekwartierd.
Iedereen maakte zijn huis schoon. De huizen van vluchtelingen, die door de Fransen in beslag waren genomen, waren nauwelijks meer herkenbaar. Van de grote kerk en het schoolhuis stonden enkel nog de muren en het dak overeind — de rest was opgestookt. De predikant hield zijn diensten bij terugkomst gewoon thuis.
Een huis aan de Wiel brandde ’s avonds nog af door onachtzaamheid.
